De Republiek in een tijd van vorsten
Examenkatern havo/vwo
Antwoorden op het werkmateriaal
Hoofdstuk 1 (blz. 14-17)
W1 HET GROOT PRIVILEGE VAN MARIA VAN BOURGONDIË
1 Verandering en continuïteit zijn twee belangrijke kenmerken van geschiedenis. Lees de zeven artikelen goed en beantwoord per artikel de volgende vraag: In welke opzichten wil Margaretha met dit Groot Privilege: a dingen veranderen, b dingen terugdraaien, c voor continuïteit zorgen? Geef van elk een voorbeeld bij een van de zeven artikelen. Dingen veranderen: - Punt 6 verbiedt handelsbeperkingen door de gewesten. Hierdoor wordt de macht van de gewesten beperkt. - Punt 7 verbiedt het instellen van nieuwe tollen door de gewesten. Hierdoor wordt de macht van de gewesten beperkt. Dingen terugdraaien: - Punt 4 schaft de centrale rechtspraak na korte tijd weer af. Voor continuïteit zorgen: - De punten 2 en 3 bevestigen de rechten, privileges, gewoonten en gebruiken van de gewesten en steden. - Punt 5 bevestigt de oude, gewestelijke of stedelijke rechtspraak.
2 Kies één van de volgende opvattingen en licht je antwoord toe met bewijsmateriaal uit het Groot Privilege. a Het Groot Privilege werd afgedwongen door leden van de Staten-Generaal. b Maria nam zelf het initiatief tot het afkondigen van het Groot Privilege. c Maria en de Staten-Generaal namen gezamenlijk het initiatief. Opvatting c want Margaretha heeft op het gebied van de centralisatie concessies moeten doen: in de punten 2, 3, 4 en 5 worden de rechten van de gewesten bevestigd en de centrale rechtspraak wordt vervangen door gewestelijke rechtspraak. Maar aan de andere kant zijn er punten die de centralisatie dienen: de punten 6 en 7 beperken de macht van de gewesten.
W2 ONTWIKKELINGEN IN DE 15DE EN 16DE EEUW: OORZAKEN EN GEVOLGEN
De onderstaande ontwikkelingen in Holland staan in willekeurige volgorde. Welke ontwikkelingen waren een oorzaak van één of meer andere? Let op: - een gevolg kan op zijn beurt weer oorzaak zijn van een ander gevolg; - één oorzaak kan meer gevolgen hebben. A De ‘moedernegotie’ ontstond. B De gecommercialiseerde landbouw kwam op. C Natuurlijke omstandigheden in Holland: er was steeds meer sprake van ingeklonken veengronden en wateroverlast. D In het Oostzeegebied werden grote hoeveelheden goedkoop graan geproduceerd. E De Hollandse kooplieden bouwden een internationaal handelsnetwerk op. F De voedselvoorziening voor de toegenomen bevolking kwam in gevaar. - C was oorzaak van F - D was oorzaak van A - A was oorzaak van E - A en C waren oorzaken van B
W3 EEN BEDE VAN KAREL V
Hieronder staan vier stellingen. Ga per stelling na: Is deze stelling op grond van de informatie in de tabel en de toelichting juist of onjuist, of niet uit de tabel af te leiden? Licht je antwoord toe. 1 De welvaart van Holland liep rond 1530 ver achter ten opzichte van die van Vlaanderen en Brabant. De stelling is juist. De verdeling van de bede ging naar draagkracht. En Holland betaalde half zoveel als Brabant en nog minder dan Vlaanderen. 2 De inwoners van Brabant waren rond 1530 gemiddeld rijker dan die van Holland. De stelling is niet uit de tabel af te leiden. Om te beoordelen of de stelling juist of onjuist is, zou je ook de verhouding in inwoneraantal tussen Brabant en Holland moeten weten 3 De Waalse gewesten hadden rond 1530 in de Bourgondische Nederlanden geen sterke financieel-economische positie in vergelijking met de Nederlandstalige gewesten. De stelling is juist. De verdeling van de bede ging naar draagkracht. De Nederlandstalige gewesten betaalden gezamenlijk ongeveer 75% aan de bede. De Waalse gewesten betaalden dus hooguit ongeveer 25%. 4 De gewesten Gelderland en Overijssel zijn niet in de tabel opgenomen, omdat zij als overwegend agrarische gewesten geen bijdrage aan bedes hoefden te betalen. De stelling is onjuist. Gelderland en Overijssel ontbreken, omdat deze gewesten in 1530 nog niet tot het rijk van Karel V behoorden. Bovendien waren ook andere gewesten (Friesland, Groningen) ook nog overwegend agrarisch. En het quotenstelsel kwam tot stand ‘naar draagkracht’ en niet op grond van bepaalde onderdelen van de economie (handel, nijverheid, landbouw).
W4 HET ‘BLOEDPLAKKAAT’ VAN 1550
1 In welk opzicht bevestigt dit plakkaat de volgende zin in de stofomschrijving: ‘Vanuit de gedachte dat meerdere geloven in één gebied slechts chaos kon opleveren, kozen de meeste vorstenvoor onderdrukking van andersdenkenden.’ In het plakkaat wordt dat bevestigd, want er staat in dat de ketters ‘verstoorders van de staat en de openbare rust’ zijn.
2 Waarom maakt het plakkaat een uitzondering voor buitenlanders? In de Nederlanden was de handel van groot belang. De handel zou verstoord worden als buitenlandse handelaars zouden worden vervolgd.
3 Welk gevaar houdt in het algemeen het belonen van aanbrengers in? Het gevaar dat mensen ten onrechte, met valse getuigenissen, om het geld, als ‘ketters’ zouden worden aangebracht.
4 Vergelijk de inhoud van dit plakkaat (fase 1): - met (fase 2): de wijze waarop de overheid tijdens de Republiek met godsdiensten en hun aanhangers omging (hoofdstuk 2 van dit katern), - en met (fase 3): de wijze waarop de Nederlandse overheid in onze tijd met de godsdiensten en hun aanhangers in ons land omgaat. Beschrijf de drie fasen in deze ontwikkeling vanaf de 16de eeuw tot nu toe per fase in enkele zinnen. Fase 1: Er was geen vrijheid van godsdienst. Alleen de katholieke Kerk was toegestaan. Alle ‘ketters’ en mensen die ‘ketters’ op enigerlei wijze hielpen, werden vervolgd. Fase 2: Er was beperkte vrijheid van godsdienst. Men mocht binnenshuis geloven wat men wilde (vrijheid van geweten), maar in het openbaar was slechts de Gereformeerde Kerk toegestaan (geen vrijheid van eredienst). Fase 3: Elke godsdienst mag nu in het openbaar worden beleden. Als een onderdeel van een godsdienst botst met een artikel uit de grondwet dan gaat de grondwet in theorie voor. In de praktijk ligt dat iets anders.
5 Maak bij het beantwoorden van deze vraag gebruik van hoofdstuk 2 van dit katern en van je kennis of van de inhoud van je gewone schoolboek voor geschiedenis: Bedenk één of meer verklaringen voor de veranderingen: a tijdens de Republiek, - De Republiek viel niet meer onder het gezag van de Habsburgers (Filips II), maar kon zelf de wetten bepalen. - Veel burgers waren verdraagzaam tegenover andere godsdiensten. - De katholieken vormden een aanzienlijke minderheid. Het was ondoenlijk die streng te gaan vervolgen. b in onze tijd vergeleken bij die in de Republiek. - In de grondwet is vrijheid van godsdienst opgenomen. - Vrijheid van godsdienst hoort tot de mensenrechten, die door de Verenigde Naties zijn erkend.
6 De ontwikkeling in Nederland op godsdienstig-politiek gebied vertoont grote overeenkomst met de ontwikkeling in andere westerse landen. Maar ook grote verschillen met die in niet-westerse, bijvoorbeeld moslimlanden. Zoek naar een of meer verklaringen voor die verschillen. En vraag je daarbij af in hoeverre godsdienst, politiek en geschiedenis daarmee te maken kunnen hebben. Mogelijk antwoord Vrijheid van godsdienst hangt nauw samen met democratie. In niet-democratische landen bevoordelen de machthebbers meestal de heersende godsdienst en leggen andere godsdiensten allerlei beperkingen op, zoals dat ook in Europa vóór de Franse Revolutie gebeurde. De machthebbers doen dat uit eigen geloofsovertuiging of omdat zij zeker willen zijn van de steun van de aanhangers van de heersende godsdienst. Machthebbers in niet-democratische landen hebben meestal geen boodschap aan mensenrechten.
W5 ERASMUS OVER DE BESTRIJDERS VAN LUTHER
1 In 1521 werd Luther door de paus geëxcommuniceerd (in de kerkelijke ban gedaan). Wat zal Erasmus hierover hebben gedacht? - Aan de ene kant zal hij als katholiek grote waarde hebben gehecht aan een uitspraak van de paus, de plaatsvervanger van God op aarde. - Aan de ander kant zal hij als humanist er met zijn verstand niet bij hebben gekund: wat Luther heeft ‘misdreven’ (twijfel koesteren omtrent de aflaten enz., zal volgens Erasmus geen aantasting van het geloof zijn geweest).
2 Erasmus zal het niet eens zijn geweest met de doodstraf die Karel V stelde op ketterij. Geef daarvan op grond van zijn brief een reden. Erasmus zal het hiermee niet eens zijn geweest, omdat: - teveel als ketterij wordt beschouwd wat het niet is. - de kerkelijke ban volgens hem de zwaarste straf behoort te zijn.
3 Waardoor zal Erasmus zichzelf ook aangevallen hebben gevoeld door de bestrijders van Luther? Erasmus vond als humanist het bestuderen van Griekse en Romeinse schrijvers belangrijk. Volgens de bestrijders van Luther was Grieks kennen ketterij. Erasmus liep dus ook gevaar van ketterij beschuldigd te worden.
4 In stofomschrijving staat: ‘De Reformatie was mede voorbereid door het humanisme, waarvan Erasmus de belangrijkste vertegenwoordiger was in Noordwest-Europa.’ In hoeverre wordt de stelling dat de Reformatie mede door Erasmus was voorbereid, door de waardering van de aartsbisschop bevestigd of tegengesproken? Geef redenen voor je antwoord. De stelling wordt door de waardering van de aartsbisschop tegengesproken, want een aartsbisschop zal weinig waardering hebben voor iemand die de Reformatie voorbereidt. Maar de brief is van 1619. Toen was Luther nog nauwelijks begonnen met de Reformatie. Het is mogelijk dat de mening van de aartsbisschop over Erasmus later is veranderd.
W6 ‘DE LANDMAN’
Leg uit waarom deze afbeelding niet de situatie in het gewest Holland weergeeft. De Hollandse boeren gingen zich specialiseren op producten die ze konden verkopen: zij schakelden over van producten voor eigen gebruik op producten voor de stedelijke markt of de export (commerciële landbouw). Dat waren meest zuivelproducten (melk, boter en kaas). Ze hielden dus vooral koeien. Op de afbeelding is te zien dat er wordt geploegd (akkerbouw) en dat er behalve koeien ook varkens, geiten, kippen en eenden worden gehouden. Dit bedrijf is dus niet gespecialiseerd en richt zich vooral op producten voor eigen gebruik.
W7 HENDRIK VIII, ZIJN VROUWEN, DOCHTERS EN DE GESCHIEDENIS
1 Welk huwelijk van Hendrik VIII (blz. 13) is historisch gezien het belangrijkst? Het eerste of het tweede huwelijk? a Geef eerst aan met welke gegevens je rekening houdt. Gegevens die de leerlingen kunnen noemen bij het wikken en wegen: - Hendrik VIII scheidde van zijn eerste vrouw Catharina van Aragon, omdat zij hem geen zoon kon baren. Deze scheiding was van invloed op de de stichting van de Anglicaanse Kerk, de afscheiding van Rome. - De dochter uit het eerste huwelijk, Maria, werd koningin en was verantwoordelijk voor bloedige vervolgingen van protestanten. - De dochter uit het tweede huwelijk, Elisabeth, maakte een einde aan de godsdienstige vervolgingen en regeerde lang en succesvol, waardoor ze tot de beroemdste Engelse koningen en koninginnen is gaan behoren. - Onder Edward VI (1547-1553) werd de anti-katholieke politiek voortgezet. b Maak dan een beargumenteerde keuze. Door de leerlingen. Zij zullen de betekenis van de afscheiding van de katholieke Kerk moeten afwegen tegen de betekenis van Elisabeths regeerperiode, en de voortzetting van de anti-katholieke politiek door Edward VI. c Geef daarbij aan in hoeverre je eigen standplaatsgebondenheid bij die keuze een rol heeft gespeeld. Door de leerlingen. Wie katholiek is, zal grotere betekenis hechten aan de afscheiding dan wie niet-katholiek is.
2 Geef aan waarom je het eens of oneens bent met de volgende opvatting: Hendrik VIII brak om financiële redenen met Rome. Toets deze opvatting aan de gegevens over Hendrik VIII in dit hoofdstuk. Oneens: Hendrik VIII stichtte in 1534 de Engelse staatskerk, maar pas twee jaar later begon hij met onteigenen van de bezittingen van de katholieke Kerk.
3 In Engeland werden veel meer vrouwen koning(in) dan in andere landen: a geef daarvoor een mogelijke verklaring. In Engeland werd minder dan in andere landen gelet op de sekse van troonopvolgers. Er bestond geen wettelijke bepaling die vrouwen uitsloot van de troonopvolging. b bedenk daarbij een mogelijke vraag. Bestonden in andere landen (bijvoorbeeld Spanje en Frankrijk) wel bepalingen die vrouwen uitsloten van de troonopvolging?
W8 WIKIPEDIA KRITISCH BEVRAGEN
Tot het stellen van welke kritische vragen geeft dit fragment uit Wikipedia aanleiding? - Waaraan was Anna Boleyn volgens historici (niet geheel on)schuldig? - Vonden historici dat zij de doodstraf een beetje had verdiend of ging het die historici alleen om een beetje schuldig aan overspel en incest? - Waarom staat er ‘zogenaamde’ minnaars? Waren het alle vijf dan in werkelijkheid geen minnaars? Dan was Anna toch geheel onschuldig aan overspel? - Stond er in de tijd van Hendrik VI op overspel door een vrouw de doodstraf, terwijl mannen wel overspel mochten plegen?
W9 COMMERCIALISERING VAN DE LANDBOUW
In de Hollandse landbouw trad in de 16de eeuw commercialisering op. Als verklaring daarvan worden verschillende factoren genoemd: - de natuurlijke omstandigheden (ingeklonken veengronden en wateroverlast), - de aanwezigheid van steden, - de aanwezigheid van goede verbindingen via waterwegen, - de graanimport uit het Oostzeegebied.
1 Verdeel de hierboven genoemde factoren tussen: a oorzaken - de natuurlijke omstandigheden - de aanwezigheid van steden - de graanimport uit het Oostzeegebied b en omstandigheden die op de achtergrond een rol speelden. - de aanwezigheid van goede verbindingen via waterwegen
2 Licht je keuze bij elk van de vier toe. Toelichting op oorzaken die bijdroegen tot de commercialisering van de Hollandse landbouw: - De natuurlijke omstandigheden: Door de natuurlijke omstandigheden werd het verbouwen van graan onmogelijk. De boeren moesten daarom naar iets anders omzien. - De aanwezigheid van steden: - Door de aanwezigheid van steden hadden de boeren een afzetgebied voor veeteeltproducten. - De graanimport uit het Oostzeegebied: - Door de graanimport uit het Oostzeegebied kon de bevolking van de steden groeien; daardoor groeiden ook de afzetmogelijkheden voor de boeren.
Toelichting op de omstandigheid die bijdroeg tot de commercialisering van de Hollandse landbouw: - De aanwezigheid van goede verbindingen via waterwegen - Door de aanwezigheid van goede verbindingen via waterwegen konden de boeren hun producten gemakkelijk naar de steden vervoeren, maar de boeren konden ook op een andere manier (via landwegen) hun producten vervoeren.
Kennis toepassen en inzicht tonen
W10 OVT KEIZER KAREL HERDENKINGSJAAR
In deze uitzending van het radioprogramma OVT interviewt Kees Slager de hoogleraar geschiedenis Wim Blockmans, die het herdenkingsjaar 2000 mede-organiseerde en een boek schreef over Karel V. Het boek heeft als ondertitel ‘De utopie van het keizerschap’. De uitzending is te beluisteren via de website.
1 Welke kenmerken had de eerste helft van de 16de eeuw? - Het was een tijd van sterke groei (demografisch en economisch). - Er werd een nieuwe wereld ontdekt: Amerika.
2 Verklaar de ondertitel van het boek. Het was een utopie dat een keizer zijn rijk werkelijk kon besturen. Door de trage communicatie kon Karel zijn uitgestrekte rijk niet of nauwelijks beheersen. Dat gold in hoge mate voor Amerika.
3 a Waardoor had Karel altijd gebrek aan geld? Hij had veel geld nodig om zijn soldaten tijdens de vele oorlogen te betalen. b Welke bronnen van inkomsten had Karel? Als bronnen van inkomsten had Karel: - de zilvertoevoer uit Amerika, - de belastingen. Deze werden in de loop van de jaren verhoogd tot het dubbele.
4 Waarover klaagden Karels onderdanen in alle delen van het rijk vooral? Zij klaagden er vooral over dat hun belastinggeld werd besteed aan oorlogen elders.
5 Welke verdienste heeft Karel V gehad voor de vorming van het tegenwoordige Nederland? Hij heeft zeven tegenwoordige provincies toegevoegd (Friesland, Groningen, Drente, Overijssel, Utrecht, Gelderland en Limburg).
6 a Was Karel voor of tegen hervormingen binnen de katholieke Kerk? Karel was voor hervormingen binnen de katholieke Kerk. b Waaruit blijkt dat? Hij probeerde de pausen ervan te overtuigen dat een concilie nodig was. Dat concilie moest interne hervormingen binnen de katholieke Kerk doorvoeren. (Dat concilie van Trente kwam door tegenwerking van de pausen pas in 1545 bijeen.)
7 Waarom vervolgde Karel de protestanten? In de ideologie van die tijd gold dat eenheid van godsdienst nodig was om het vorstelijk gezag te ondersteunen.
8 Waarom voelde Karel zich aan het eind van zijn leven een mislukkeling? Karel had twee grote doelstellingen: het christendom beschermen tegen de binnenlandse vijanden en tegen de buitenlandse vijanden; de protestanten en de Turken. Hij moest toelaten dat veel Duitse vorsten het protestantisme invoerden en hij slaagde er niet in om, samen met de koningen van Frankrijk en Engeland (Frans I en Hendrik VIII) een kruistocht tegen de Turken te organiseren. Beide doelstellingen waren dus mislukt.
W11 FEITEN ROND DE NEDERLANDEN ONDER DE HABSBURGERS IN VERBAND BRENGEN MET GROTE LIJNEN VAN DE GESCHIEDENIS VAN WEST-EUROPA
1 De Bourgondische hertogen maakten Brussel tot hoofdstad van de Nederlanden. Waarom kozen ze niet Amsterdam als hoofdstad? De rijkste en machtigste gebieden van de Nederlanden lagen in de 15de eeuw in Vlaanderen en Brabant. Brussel lag in Brabant.
2 De Nederlanden waren in de tijd van Karel V een klein gebied in een groot rijk. Leg dat uit. Karel V werd niet alleen heer van de Nederlanden, maar ook koning van Spanje, heer van de Habsburgse erflanden (Oostenrijk en delen van Italië) en keizer van het Duitse rijk. Als Habsburgse vorst stond Karel V aan het hoofd van het Habsburgse rijk, dat ook Midden–Amerika en grote delen van Zuid-Amerika omvatte.
W12 KORTE OPDRACHTEN
1 In de 16de en 17de eeuw probeerden vorsten hun macht sterk uit te breiden: a Welke bevolkingsgroepen boden tegenstand? De adel en de stedelijke burgerij b Noem minstens twee manieren waarop vorsten deze oppositie de kop probeerden in te drukken. Mogelijke antwoorden: - Vorsten bouwden een ambtenarenapparaat op, met behulp waarvan zij lokale adellijke bestuurders verdrongen / hun onderdanen beter onder controle konden houden (Frankrijk en Karel V, blz. 6). - Vorsten bouwden (met behulp van belastinggeld) een leger van huurlingen op, met behulp waarvan ze verzet konden onderdrukken (Gent, blz. 6-7). - Vorsten stonden niet meer dan één godsdienst in hun rijk toe. Door andere godsdiensten te onderdrukken, wisten zij hun macht uit te breiden (blz. 11-12). Mogelijke andere antwoorden: - Vorsten speelden adel en burgerij soms tegen elkaar uit. Ze sloten met steden een bondgenootschap om de macht van lokale adel te breken. - Vorsten riepen edelen naar hun hof, zodat ze hen beter in de gaten konden houden, dan wanneer ze ver weg waren.
2 Welke van de drie Raden die Karel V instelde, zorgde ervoor dat de wetten (plakkaten) tegen de protestanten werden uitgevoerd? Verklaar je keuze. De Geheime Raad. Deze hield toezicht op de lokale overheden, die de wetten en verordeningen moesten toepassen
3 a In de eerste periode van de stofomschrijving (1477-1555) waren Brabant en Vlaanderen de kerngewesten in de Nederlanden. Geef daarvoor een verklaring. Deze gewesten waren sterk verstedelijkt. Een groot deel van de bevolking van de Nederlanden woonde daar. Met hun handelsnetwerk en nijverheid zorgden de steden in deze gewesten voor welvaart. En dus voor veel belastinginkomsten voor de vorst. b Door welke factoren had het gewest Holland achterstand opgelopen? - De lage opbrengst van de landbouw (door vervening) in Holland bracht de voedselvoorziening van de steden in gevaar. Deze bleven daardoor klein. - De Hollandse steden waren klein in vergelijking met die van Vlaanderen en Brabant. De handel was afhankelijk van de grotere steden in Vlaanderen en Brabant. c Door welke maatregelen wist het gewest Holland de opgelopen achterstand in te halen? - Hollandse kooplieden brachten de voedselvoorziening op peil door goedkoop graan (uit het Oostzeegebied) te importeren. - Door middel van specialisatie en commercialisering werd de landbouw winstgevend gemaakt.
4 Waarom vond Holland dat het recht had op invloed in de andere gewesten van de Noordelijke Nederlanden? Holland vond dat omdat Karel V zijn oorlogen in de Nederlanden vooral voerde met Hollands belastinggeld.
5 In Antwerpen vielen in 1523 de eerste slachtoffers van de Inquisitie: twee voormalige Augustijner monniken werden verbrand. Waarom is het niet toevallig dat het Augustijner monniken waren? Luther was zelf Augustijner monnik geweest en vond veel aanhang onder zijn ordebroeders
6 De Vrede van Augsburg is tegelijk een voorbeeld van verandering en van continuïteit. Leg dat uit. - Verandering: voor het eerst was het in bepaalde gebieden toegestaan protestant te zijn. - Continuïteit: zowel vóór als na de Vrede van Augsburg bepaalde de vorst welke godsdienst was toegestaan.
7 Veel leden van de gentry (de lagere adel en de gegoede burgerij) stemden van harte in met het veranderen van de Engelse katholieke Kerk in een staatskerk, de Church of England. Welke niet-godsdienstige reden kunnen zij daarvoor hebben gehad? Alle bezit van de katholieke Kerk werd onteigend. De meeste kerkelijke landerijen werden gekocht door de gentry. Die kon er zijn landbezit mee vergroten.
8 In de stofomschrijving staat: ‘Vanuit de gedachte dat meerdere geloven in één gebied slechts chaos konden opleveren, kozen de meeste vorsten voor onderdrukking van andersdenkenden.’ a Welk bewijsmateriaal kun je aandragen voor de juistheid van deze zin? In verschillende landen vervolgden vorsten andersdenkenden: - Karel V vaardigde het Edict van Worms uit, hij centraliseerde de vervolging van protestanten in de Nederlanden (inquisitie) en hij voerde oorlog tegen protestantse vorsten in het Duitse rijk. - In Engeland bestond een conflict binnen de staatskerk en was er verzet van dissenters en katholieken tegen de staatskerk. Na Hendrik VIII probeerden achtereenvolgende vorsten hun godsdienst op te leggen aan het hele land. - In Frankrijk werden hugenoten vervolgd en vermoord, omdat zij een bedreiging vormden voor de macht van de koning. Hendrik II sloot zelfs vrede met Spanje om de hugenoten te kunnen bestrijden. b Pas deze zin toe op de wereld waarin we nu leven. In hoeverre is de situatie in de wereld nu anders en hetzelfde? Discussieer hier klassikaal over. Door de leerlingen. Vermoedelijk komt uit de discussie door de leerlingen de volgende tegenstelling naar voren: - Enerzijds is in veel landen de vrijheid van godsdienst in de grondwet vastgelegd en leven aanhangers van verschillende godsdienst vreedzaam naast elkaar. Er bestaat daardoor geen chaos in die landen. De overheid voelt zich niet genoodzaakt te streven naar één (dominante) godsdienst binnen de landsgrenzen. - Anderzijds is in andere landen geen sprake van grondwettelijke godsdienstvrijheid of wordt die in de praktijk niet gerealiseerd. Daar is wel sprake van achterstelling van godsdiensten ten opzichte van één overheersende religie. Mede daardoor heerst er soms chaos in die landen, vinden er aanslagen plaats en is er zelfs soms sprake van een burgeroorlog. Hoofdstuk 2 (blz. 32-41)
W1 OPROEP TOT VERZET VAN WILLEM VAN ORANJE (1572)
1 Waarom had Willem van Oranje reden om er niet op te vertrouwen dat aan zijn oproep gevolg zou worden gegeven? Toen Oranje in 1568 een inval deed in de Nederlanden, hadden zij hem niet gesteund, zodat de inval mislukte (par. 1, blz. 23).
2 a In wie ziet Willem van Oranje in zijn oproep de vijand? De Spanjaarden (Spaanse troepen), de inquisiteurs en hun aanhangers. b In wie dus niet, al valt dat op het eerste gezicht wel te verwachten? De Spaanse koning Filips II c Waarom is Willem van Oranje zo voorzichtig? - Willem van Oranje houdt de schijn op dat de inval niet gericht is tegen Filips II. Hij wil een inval doen ‘in gehoorzaamheid en in waarachtige dienst van zijne Koninklijke Majesteit’. - Velen waren er in die tijd van overtuigd dat de koning zijn macht van God had gekregen. Vanuit dat standpunt was opstand tegen de koning niet geoorloofd (par. 1, blz. 23 en 25).
3 Willem van Oranje noemt verschillende redenen om in opstand te komen. a Welke voor veel Nederlanders in die tijd belangrijke reden [in de eerste oplage van het exkat staat ten onrechte ‘redenen’] noemt hij niet? De verdediging van het protestants geloof. b Geef daarvoor een verklaring. - Hij wilde protestanten en katholieken bij elkaar houden en alleen de uitwassen van het beleid van Filips II bestrijden. - Hij was voor vrijheid van godsdienst, niet voor één godsdienst per staat.
W2 ALVA RAPPORTEERT AAN FILIPS II
Ga uit van de vraag: Waardoor nam de opstand in de Nederlanden in 1572 in hevigheid toe? 1 Welk antwoord op de vraag vind je in de bron? Door het fanatisme, de bereidheid van de mensen zich op te offeren voor de zaak van de ‘verraders’, die in aantal toenemen.
2 In hoeverre is de bron representatief met het oog op de vraag? Het rapport is algemeen geformuleerd. De uitspraken gaan over alle opstandige gebieden en zijn daarvoor representatief.
3 In hoeverre is de bron betrouwbaar met het oog op de vraag? De bron is weinig betrouwbaar: - Alva wil meer troepen hebben. Om dat te bereiken is hij waarschijnlijk bereid de bevolking meer anti-Spaanse voor te stellen dan zij in werkelijkheid was. - Alva en zijn omgeving hadden geen contact met de opstandige bevolking. Het is daarom zeer de vraag in hoeverre zij goed op de hoogte waren van de houding van de bevolking in de opstandige gebieden.
W3 HET SMEEKSCHRIFT (1565)
1 a Welk economisch gevolg zou volgens de edelen optreden als Filips II zijn godsdienstpolitiek niet wijzigde? Er zou een einde komen aan handwerk en koophandel. b Is dit voorspelde gevolg in werkelijkheid opgetreden? Nee, de economie bleef ondanks de Opstand groeien
2 Waarom is de naam Smeekschrift maar gedeeltelijk juist? Het ‘Smeekschrift’ was méér dan ‘smeken’. Het hield ook een dreiging in: zich met alle macht te zullen verzetten tegen de Inquisitie.
3 Waaruit blijkt dat de protestantse edelen de meeste invloed hebben gehad bij het opstellen van het Smeekschrift? De Inquisitie, een katholiek instituut, wordt zeer zwart afgeschilderd. De Inquisitie ‘overtreft de allergrootste barbarij die ooit door tirannen in praktijk is gebracht’.
4 Bedenk een motief waarom de katholieke edelen meededen aan het Verbond. Zoek dat motief of in het Smeekschrift zelf of in de situatie in Europa in die tijd. - Vrees voor ‘een afgrijselijke verwarring en ongeregeldheid in alles’. - De overtuiging dat Filips II het niet meer zou kunnen winnen, omdat de aanhang van de protestanten al te groot was en omdat de Spaanse koning (Karel V) het ook in het Duitse rijk niet had kunnen winnen van de protestanten. - De steeds groter wordende macht van de koningen ging in die tijd ten koste van de macht van de edelen: katholieke edelen gingen het behoud van hun macht belangrijker vinden dan de godsdienstkwestie.
5 Het Smeekschrft had voorziene en onvoorziene gevolgen. a Wat was een voorzien gevolg? De landvoogdes beloofde de plakkaten minder streng te zullen uitvoeren. b Noem twee niet voorziene gevolgen. - Het houden van hagenpreken, - de Beeldenstorm.
W4 DE PACIFICATIE VAN GENT (1576)
1 De Pacificatie was een compromis tussen Holland en Zeeland enerzijds en de overige gewesten anderzijds. Bij een compromis zullen de partijen het op sommige punten eens zijn, maar andere als ‘verlies-’ of ‘winstpunten’ beschouwen. a Noem punten waarover beide partijen het eens zullen zijn geweest. Zij zullen het eens zijn geweest over: - het onderhouden van de vrede, - het verdrijven van de Spaanse soldaten, - het recht om overal te komen en te gaan (zich overal vrij te bewegen), - het opschorten van de plakkaten en de strafwetten van Alva. b Noem punten die Holland en Zeeland als ‘winst’ zullen hebben beschouwd. Holland en Zeeland zullen als ‘winst’ hebben beschouwd: - De uitzondering voor Holland en Zeeland op het verbod om ‘iets te ondernemen tegen de algemene rust en vrede, in het bijzonder tegen de rooms-katholieke religie’. In Holland en Zeeland mocht dat dus wel. - Het erkennen van Willem van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland. c Noem een punt dat de overige gewesten als ‘winst’ zullen hebben beschouwd. De overige gewesten zullen als ‘winst’ hebben beschouwd: - het algemene verbod om ‘iets te ondernemen tegen de algemene rust en vrede, in het bijzonder tegen de rooms-katholieke religie en de uitoefening van die godsdienst’. Voor de docent: Wanneer leerlingen dit punt niet direct noemen, kan de docent hen vragen naar/wijzen op gebeurtenissen sinds april 1572 (genoemd in het historisch overzicht blz. 23 en in de illustratieve tekst op blz. 27) die de overige (katholieke) gewesten verontrustend vonden: het vermoorden van katholieke geestelijken en het plunderen van katholieke kerken en kloosters door de Watergeuzen en de Duitse huursoldaten van Oranje.
2 De stad Amsterdam was in 1576 nog een katholieke stad met een stadsbestuur dat trouw bleef aan de koning. Welke bepaling van de Pacificatie kun je in verband brengen met dit feit? Waarom? Hiermee kan in verband worden gebracht: de uitzondering voor Holland en Zeeland op het verbod om ‘iets te ondernemen tegen de algemene rust en vrede, in het bijzonder tegen de rooms-katholieke religie’. Door deze uitzondering zou het stadsbestuur kunnen worden afgezet en de katholieke eredienst worden verboden (wat twee jaar later in 1578 dan ook gebeurde bij de ‘Alteratie’ van Amsterdam).
3 Aan welke formulering in de Pacificatie zal Filips II zich persoonlijk hebben geërgerd? Waarom? Hij zal zich eraan geërgerd hebben dat Willem van Oranje ‘stadhouder van Zijne Majesteit’ werd genoemd. Oranje was immers door landvoogd Alva, de plaatsvervanger van de koning, als stadhouder (in 1567) ontslagen (blz. 21).
W5 WAT VERTELT DEZE KAART OVER DE BEELDENSTORM WEL EN NIET?
1 a Noem twee conclusies die je uit gegevens van deze kaart kunt afleiden. - De hoofdroute van de beeldenstormers was: Steenvoorde > Antwerpen > Den Bosch. - De Beeldenstorm begon in zuidelijke gewesten en vond pas later plaats in noordelijke gewesten. - In de zuidelijke gewesten was de Beeldenstorm vooral het werk van rondtrekkende beeldenstormers, in de noordelijke gewesten vooral van de plaatselijke bevolking. - In de Waalse gewesten / het zuid-oosten was er nauwelijks sprake van Beeldenstorm. b Bedenk twee vragen die naar aanleiding van gegevens van deze kaart gesteld kunnen worden. - Waardoor was de Beeldenstorm in de zuidelijke gewesten vooral het werk van rondtrekkende beeldenstormers en in de noordelijke gewesten vooral van de plaatselijke bevolking? - Waardoor was er in de Waalse gewesten nauwelijks sprake van Beeldenstorm? - In twaalf dagen ging de Beeldenstorm van Steenvoorde tot Den Bosch. Hoe is die snelheid te verklaren? - Hoe is het te verklaren dat de plaatselijke bevolking in allerlei plaatsen vrijwel gelijktijdig tot de Beeldenstorm overging?
2 In een Spaans schoolboek staan twee beweringen over de Opstand in de Nederlanden: Bewering A: ‘De Opstand begon in 1566 met een duidelijk godsdienstig karakter.’ Bewering B: ‘De Opstand werd geleid door de calvinistische burgerij van Holland.’ In hoeverre wordt elk van deze beweringen ondersteund of weerlegd door gegevens op deze kaart? Bewering A wordt ondersteund, want de Beeldenstorm richtte zich tegen de katholieke kerken en kloosters. Bewering B wordt weerlegd, want de Beeldenstorm begon in Vlaanderen en ging daarna naar Antwerpen (Brabant). Pas enkele dagen later volgden Hollandse steden.
W6 VERPLAATS JE IN ELISABETH I EN IN WILLEM VAN ORANJE
1 Hieronder zie je een aantal problemen waarvoor Elisabeth I van Engeland zich zag geplaatst, toen ze in 1558, 23 jaar oud, koningin van Engeland werd. a Op welke wijze heeft ze die problemen tijdens haar regeerperiode opgelost? Wat Elisabeth als probleem zag: Moet ik net zoals mijn halfzuster die ik ben opgevolgd, protestanten streng blijven vervolgen? Wat Elisabeth deed Zij stopte de vervolging van protestanten.
Wat Elisabeth als probleem zag: Moet ik in het belang van Engeland een huwelijkspartner zoeken? En zo ja, welke dan? Wat Elisabeth deed Zij besloot niet te huwen.
Wat Elisabeth als probleem zag: Welke houding moet ik aannemen tegenover Filips II? Hij was de echtgenoot van mijn halfzuster Maria en hij heeft haar overgehaald om samen met hem een oorlog tegen Frankrijk te beginnen. Wat Elisabeth deed Zij besloot te breken met de politiek van haar zuster en zich tegen Filips II te keren. Met Frankrijk en de Republiek sloot zij het Drievoudig Verbond tegen Spanje (1598).
Wat Elisabeth als probleem zag: Welke houding moet ik aannemen tegenover de Nederlanden waar Filips II de protestanten streng vervolgt en waar de gewesten meer zelfstandigheid willen? Wat Elisabeth deed Zij besloot de opstand in de Republiek te steunen, onder andere door de graaf van Leicester met troepen naar de Republiek te sturen (1585).
Wat Elisabeth als probleem zag: Welke houding moet ik aannemen ten opzichte van de paus: moet de Engelse Kerk katholiek blijven?. Wat Elisabeth deed Zij besloot het protestantisme in Engeland te vestigen.
b En wat waren vermoedelijk haar motieven daarvoor? - Zij wilde vooral de zelfstandigheid van Engeland ten opzichte van het katholieke Spanje handhaven. - Zij wilde ook persoonlijk zelfstandig blijven (en trouwde daarom niet).
2 Verplaats je nu in de positie van Willem van Oranje in 1568, nadat hij door Alva als stadhouder was ontslagen en nadat de graven Egmont en Horn waren onthoofd: a Voor welke problemen stond hij toen? Formuleer die problemen even beknopt als in het examenkatern onderaan blz. 34. - Moet ik nu het verzet tegen Filips II opgeven of moet ik doorgaan? - Als ik doorga, hoe moet ik dan tewerk gaan? - Kan ik rekenen op steun van de bevolking? - Hoe kan ik het conflict tussen katholieken en protestanten oplossen? b Op welke wijze heeft hij die problemen proberen op te lossen? Beantwoord deze vraag per probleem in enkele zinnen. - Moet ik nu het verzet tegen Filips II opgeven of moet ik doorgaan? Oranje besloot door te gaan met het verzet tegen Filips. - Als ik doorga, hoe moet ik dan tewerk gaan? Hij besloot tweemaal een inval te doen in de Nederlanden met eigen legertjes (1568 en 1572). - Kan ik rekenen op steun van de bevolking? Beide malen verwachtte hij dat de bevolking in opstand zou komen tegen Filips II. Maar dat gebeurde niet. - Hoe kan ik het conflict tussen katholieken en protestanten oplossen? Hij probeerde katholieken en protestanten met elkaar te verzoenen door een religievrede. Maar ook dat mislukte. c In welk opzicht was Willem van Oranje bij het zoeken naar oplossingen zijn eigen tijd ver vooruit? Hij was verdraagzaam op godsdienstig gebied.
W7 DE UNIE VAN UTRECHT OVER DE GODSDIENST (1578)
1 Stel eerst vast wat precies wordt verstaan onder de begrippen godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid. Doe dat met behulp van de volgende twee beweringen. Vraag je bij elk af of deze juist is of niet. En waarom dat zo is. a Godsdienstvrijheid houdt ook gewetensvrijheid in. Juist, want wanneer er sprake is van godsdienstvrijheid mag je elk geloof tonen en beoefenen. Dat houdt automatisch in dat je mag geloven wat je wil. Dus: godsdienstvrijheid is ‘breder’, gewetensvrijheid is er een onderdeel van. b Gewetensvrijheid houdt ook godsdienstvrijheid in. Niet juist, want er kan wel sprake zijn van gewetensvrijheid (geloven wat je wilt), maar dan hoeft er nog geen sprake te zijn van godsdienstvrijheid (het laten zien dat en wat je gelooft).
2 Maak nu de balans op met betrekking tot de situatie op het gebied van de godsdienst in de Nederlandse gewesten rond 1576-1578: a volgens de Pacificatie van Gent (W4) en de Unie van Utrecht. Er was overal gewetensvrijheid, maar nergens godsdienstvrijheid. b volgens de praktijk in de Nederlandse gewesten (gebruik daarvoor gegevens in dit hoofdstuk, par. 2). Er was overal gewetensvrijheid, maar nergens godsdienstvrijheid. ‘Vrijheid van eredienst’ hadden alleen de calvinisten. Men kon dus binnenshuis geloven wat men wilde, maar alleen calvinisten mochten hun geloof in het openbaar uiten.
3 Waarom legden zowel protestanten als katholieken in de Noordelijke Nederlanden zich neer bij de theorie en de praktijk? Bedenk voor beide groepen een verklaring. Voor de protestanten: Zij hadden een groot overwicht weten te bewerkstelligen en beseften dat ze om godsdienstige conflicten te voorkomen het grote aantal katholieken in de meeste gewesten niet volledig konden negeren. Voor de katholieken: Ze wisten dat in de omliggende landen overal slechts één godsdienst werd toegestaan en dat zou in de Nederlandse gewesten dan de machtiger protestantse godsdienst worden: beter een half ei dan een lege dop, kunnen katholieken hebben gedacht. Voor beide groepen: Liever houden zoals het was dan opnieuw het risico op godsdienstig geweld lopen. In veel steden leefden zowel katholieken als protestanten samen. Er was al veel godsdienstig geweld geweest. Toegenomen afkeer van godsdienstig geweld en toegenomen inzicht dat volledige overheersing van de eigen godsdienst niet haalbaar was, en misschien ook toegenomen steun voor de politiek van Willem van Oranje, kunnen hierop van invloed zijn geweest.
W8 OVT HOE HET WILHELMUS HET NEDERLANDSE VOLKSLIED WERD
1 In welke tijd ontstonden veel nationale volksliederen in Europa? - Begin 19de eeuw, de tijd van het nationalisme. - In Nederland de eerste jaren na de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden (1813). Toen werden er twee prijsvragen voor een volkslied georganiseerd.
2 Waarom werd in die tijd niet voor het Wilhelmus gekozen? Het Wilhelmus was in die tijd bekend, maar er waren nog maar weinig mensen die de originele tekst uit 1568 kenden. Wel ontstonden er allerlei andere, meer ‘volkse’ teksten, waardoor het Wilhelmus niet meer de status van een volkslied had.
3 Waardoor kwam het Wilhelmus vanaf het einde van de 19de eeuw weer in de belangstelling te staan? Koningin Wilhelmina had bij haar inhuldiging een duidelijke voorkeur voor het Wilhelmus. Zij zag dat lied als het lied van haar voorvaderen, van haar huis, maar ook van de natie. Die waren in haar visie onlosmakelijk met elkaar verbonden.
4 Waarom werd het lied in 1932 het officiële nationale volkslied? Het was onduidelijk welk lied het nationale volkslied was, het Wilhelmus of ‘Wien Neêrlands bloed’. De ministerraad werd verzocht hierover een beslissing te nemen. Op 10 mei 1932 besloot de ministerraad het Wilhelmus tot het officiële nationale volkslied te benoemen.
5 Waardoor werd het lied aanvankelijk door lang niet iedereen als nationaal volkslied gezien? - Katholieken zagen de originele inhoud van het lied als een protestants of anti-katholiek lied. Er waren bovendien anti-katholieke teksten op de muziek van het Wilhelmus gezet. - Socialisten hadden moeite met het Wilhelmus omdat het zowel een symboolfunctie richting de natie als richting het koningshuis had. Socialisten hadden moeite met het koningshuis.
6 En waardoor veranderde dat? - Op het moment dat officieel voor het Wilhelmus werd gekozen bekeerden veel Katholieken zich tot het Wilhelmus. Voor de Katholieken was toen het gevoel ‘erbij te horen’ belangrijker dan het anti-katholieke karakter van het Wilhelmus. - De Tweede Wereldoorlog trok de socialisten over de streep ten gunste van het Wilhelmus.
W9 HET WILHELMUS
Ter informatie voor de docent: De tekst van het op blz. 35 afgedrukte Wilhelmus is niet volledig: de laatste vijf coupletten ontbreken. Het Wilhelmus bestaat uit vijftien coupletten. De beginletters van ieder couplet vormen samen de naam WILLEM VAN NASSOV(U). Dit heet een acrostichon. In de Troonrede van 2010 zat de naam Willem van Nassov eveneens als een acrostichon ‘verborgen’ in de eerste letters van de eerste vijftien zinnen die koningin Beatrix uitsprak.
Verplaats je in de tijd waarin het lied is ontstaan. Beschrijf per bevolkingsgroep of per stand hoe deze vermoedelijk over het Wilhelmus heeft gedacht: 1 calvinisten Zij vonden het ongetwijfeld een mooi lied, waarin wordt uitgelegd dat Oranje zich door God heeft laten leiden en dat Oranje zijn leven en bezittingen in de waagschaal heeft gesteld voor de strijd tegen (godsdienstige) onderdrukking. In het zesde couplet staat dat Oranje ‘de tyranny’ wil ‘verdryven’. Het calvinistische recht om tegen een vorst in opstand te komen is dus in het Wilhelmus terug te vinden.
2 katholieken Zij zullen het vooral een protestants lied hebben gevonden en bang zijn geweest dat bij een overwinning van Oranje het katholicisme zou worden vervolgd. Voor de docent: Tijdens de veldtochten van Oranje in 1568 en 1572 (blz. 23) plunderden zijn troepen kloosters en kerken.
3 (hoge en lage) edelen De edelen zullen zeer verdeeld zijn geweest: Verdeeldheid in politieke opvattingen: - Sommigen zullen de zijde van Oranje hebben gekozen, want zij waren afkerig van de Spaanse centralisatiepolitiek en de vervolging van de protestanten. Zij zullen zich vanuit hun adellijke stand verplicht hebben gevoeld op te komen voor de mensen uit hun gebied. - Anderen zullen trouw hebben willen blijven aan de koning (zoals volgens het eerste couplet ook Oranje de koning altijd heeft geëerd). En dus de trouw aan hun koning hebben gesteld boven de zorg voor hun ondergeschikten. - Verdeeldheid op godsdienstig gebied: - Protestantse edelen zal dit lied aangesproken hebben, omdat het aangaf dat (leden van) de adel het initiatief namen in de Opstand, dat zij de verantwoordelijkheden genomen hadden die het calvinisme hun toestond. - Streng katholieke edelen zullen een ander standpunt hebben ingenomen, omdat zij hun geloof zwaarder lieten wegen dan hun politieke opvattingen.
4 de gegoede burgerij in de steden De gegoede burgers zullen met het lied ingestemd hebben, want zij waren afkerig van de Spaanse centralisatiepolitiek en de belastingdruk (en velen ook van de strenge vervolging van de protestanten);
5 het Spaanse bestuur Het Spaanse bestuur zal het lied sterk afgewezen hebben, want de opstand van Oranje wordt door het Wilhelmus gerechtvaardigd en Oranje heeft volgens de Spanjaarden Gods geboden overtreden en de Nederlanden uitgeleverd aan ketters.
W10 FEITEN EN VERBANDEN, VAN EIND 15DE TOT EIND 16DE EEUW
1 Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde van tijd (van vroeger naar later). C-G-B-F-E-A-D
2 Probeer drie van de zeven feiten in een keten van oorzaak en gevolg met elkaar in verband te brengen. Neem die feiten over en schrijf er zelf verbindende zinnen tussen. Mogelijke combinatie 1: (B) Filips II wordt heer der Nederlanden. Zijn beleid leidt tot (F) het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog. Om zich tegen de Spaanse troepen te verdedigen sluiten (E) gewesten en steden die in opstand zijn gekomen, de Unie van Utrecht. Mogelijke combinatie 2: In 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit (F). Dit was het begin van de opstand tegen de Spanjaarden. Gewesten en steden die in opstand waren gekomen, sloten vervolgens de Unie van Utrecht (E). Dat bondgenootschap ter verdediging tegen de Spaanse troepen was het begin van de zelfstandigheid van de Noordelijke Nederlanden. Na het vertrek van de laatste landvoogd was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een onafhankelijke staat (D).
W11 STATEN VAN FRIESLAND REGELEN DE GODSDIENST (1580)
1 In de stofomschrijving staat in verband met de Unie van Utrecht (1579): ‘Veel stadsbesturen besloten uiteindelijk tot een compromis: ‘vrijheid van geweten’ werd toegestaan, ‘vrijheid van eredienst’ hadden alleen de calvinisten.’ Wordt deze bewering ondersteund of tegengesproken in het besluit van de Staten van Friesland? Geef redenen voor je mening. De bewering wordt ondersteund: - De uitoefening van de katholieke eredienst wordt onmogelijk gemaakt. Priesters en andere katholieke geestelijken mogen hun functie niet meer uitoefenen (Art. 1). De kerken moeten worden ontdaan van alles wat werd gebruikt voor katholieke erediensten (Art. 18). - De uitoefening van de gereformeerde/calvinistische eredienst wordt bevorderd. Protestantse predikanten (dominees) en schoolmeesters zullen worden betaald met de opbrengst van voorheen katholieke kerkelijke goederen (Art. 8). Iedere gemeente moet gereformeerde predikanten, godsdienstleraren en schoolmeesters benoemen (Art. 14). - Er is gewetensvrijheid: geen enkel artikel bepaalt dat men gereformeerd moet zijn ofwel dat men niet katholiek mag zijn.
2 Welk artikel lijkt in strijd met welk ander artikel? Licht je antwoord toe. - Art. 8 en 23 lijken met elkaar in strijd. - In art. 23 wordt de priesters hun pensioen gegarandeerd door de Staten van Friesland, dat wil zeggen dat de Staten die kosten voor hun rekening nemen. Maar in art. 8 staat dat de opbrengsten van de (katholieke) kerkelijke goederen gaan naar protestanten.
3 Noem een mogelijk motief van de Staten van Friesland om artikel 23 op te nemen. - Om ergernis en mogelijk verzet van de nog vrij grote groep katholieken onder de bevolking te voorkomen (meer waarschijnlijk). - Om mensen aan wie ze de mogelijkheid ontnamen om hun beroep uit te oefenen te compenseren uit menselijke overwegingen (minder waarschijnlijk).
W12 GEBEURTENISSEN IN DE 16DE EEUW: OORZAKEN EN GEVOLGEN
De gebeurtenissen staan in willekeurige volgorde. Welke gebeurtenissen waren oorzaak van één of meer andere? Let op: - een gevolg kan op zijn beurt weer oorzaak zijn van een ander gevolg; - één oorzaak kan meer gevolgen hebben. - één gevolg kan meer oorzaken hebben.
- C was oorzaak van A - A was oorzaak van D - A en D waren oorzaak van B
W13 VIER POLITIEKE MOORDEN: VERGELIJKEN IN DE TIJD
Willem van Oranje en Hendrik IV van Frankrijk werden eind 16de, begin 17de eeuw vermoord. Gandhi en Martin Luther King werden in de tweede helft van de 20ste eeuw vermoord. Ga vergelijken in de tijd: 1 Welke overeenkomsten kun je ontdekken? - Alle vier waren voorstander van verdraagzaamheid ten opzichte van andersdenkenden. - Alle vier zijn vermoord door fanatieke aanhangers van een godsdienst / door ‘fundamentalistisch’ denkenden.
2 En welke verschillen? - Willem en Hendrik leefden in Europa en werden daar vermoord; King in de VS en Gandhi in Azië. - Willem en Hendrik maakten zelf gebruik van geweld; King en Gandhi stonden voor geweldloosheid. - Willem en Hendrik bekleedden politieke functies: respectievelijk stadhouder en koning. King leidde een beweging die opkwam voor gelijke rechten en Gandhi een onafhankelijkheidsbeweging, maar beiden bekleedden geen (officiële) politieke functies.
3 Bij elk van deze moorden gaat het om politieke leiders die in hun tijd door velen werden gehaat en door veel anderen werden bewonderd. Alle vier worden in onze tijd algemeen bewonderd. Is het viermaal toeval dat juist zij werden vermoord? Of zijn er een of meer conclusies uit te trekken, veronderstellingen uit af te leiden? Mogelijke conclusies / veronderstellingen: - Tolerantie en verdraagzaamheid worden door degenen die vinden dat zij het gelijk aan hun kant hebben, niet geaccepteerd. Dergelijke ‘fundamentalisten’ hebben het daarom gemunt op politieke leiders die staan voor verdraagzaamheid. - Alle vier ‘streden’ voor grote veranderingen in hun tijd / hun samenleving. Veel mensen staan huiverig tegenover veranderingen. Sommigen schrikken daarbij zelfs niet af voor het gebruik van geweld om de bestaande orde / opvattingen te handhaven.
W14 EEN BELANGRIJKE FASE IN DE TACHTIGJARIGE OORLOG IN BEELD GEBRACHT
1 Welke gebeurtenissen in de vaderlandse geschiedenis zijn op deze gravure in beeld gebracht? Gebeurtenissen in het begin van de opstand tegen Spanje toen alleen Holland en Zeeland in opstand waren / gebeurtenissen die te maken hebben met de successen van de Watergeuzen vanaf 1572 (blz. 23 en 27): - de Hollandse leeuw verdedigt Holland, weergegeven door de ronde tuin met vlaggen en stadswapens van Hollandse steden, - de Zeeuwse leeuw komt vanuit de zee met schepen de Hollandse leeuw te hulp (op het schip links onder staan de namen Vlissingen, Middelburg, Veer = Veere). - de Spanjaarden, voorgesteld door zwijnen, belagen de Hollanders (Hollandse tuin). - op zee is een Spaans schip door een Hollandse leeuw, de Watergeuzen, verslagen: varkens/Spanjaarden hangen aan een ra en vluchten van het schip. NB voor de docent: Het wapen van Willem van Oranje staat op het tuinhek. Eén van de varkens draagt een vlag met het wapen van Alva.
2 Aan welke zijde stond de maker in die oorlog? Waaruit leid je dat af? Aan de zijde van de Hollandse en Zeeuwse opstandelingen: - Holland staat in het middelpunt, - de leeuw is heldhaftig, - het Zeeuwse schip en de Watergeuzen jagen Spanjaarden / varkens het land op, - de varkens worden als verachtelijk afgebeeld: ze vernielen alles met hun gewroet.
W15 DE NEDERLANDEN EN HET BUITENLAND
Bestudeer de afbeelding waarop je een koe en verschillende personen ziet (de meest rechtse is de hertog van Anjou). 1 Probeer met behulp van het bijschrift bovenaan de afbeelding de volgende vragen te beantwoorden: a wie bedoelt de kunstenaar met de koe? De Nederlanden: - door de leerlingen te bedenken zonder de Engelse tekst te lezen; - in de Engelse tekst bovenaan staat 'Flaunders' - Vlaanderen; daarmee werden kennelijk de Nederlanden bedoeld. b wie zit er op de koe? Filips II (staat in eerste couplet van het gedicht). c wie zit er onder de koe? Willem van Oranje (staat in derde couplet van het gedicht). d wie is de vrouw links op de voorgrond? Koningin Elisabeth I van Engeland (staat in tweede couplet van het gedicht, als 'queene of England'. e wie zijn de heren op de achtergrond? Waarschijnlijk vertegenwoordigers van de opstandige gewesten / leden van de Staten-Generaal (ze hebben hun handen op de kop van de koe). NB: Naar Anjou is in vraag 1 niet gevraagd, omdat deze in de inleiding op de vraag wordt genoemd. In het derde couplet is de naam van Anjou maar gedeeltelijk leesbaar.
2 Vermeld bij elk van de vier personen op de voorgrond hoe zij – vermoedelijk – volgens de kunstenaar tegenover de koe staan. Gebruik bij het beantwoorden de wijze waarop de personen zijn afgebeeld. Breng daarmee de kennis die je van die personen hebt, in verband. - Elisabeth (Engeland) is de Nederlanden goedgezind en voedt ze met hooi en drinken (financiële en militaire hulp). - Anjou (Frankrijk) wil de Nederlanden in beweging brengen zonder hulp van beteke¬nis; de Nederlanden moeten niets van hem hebben en geven hem 'stank voor dank'. - Filips II (Spanje) probeert zonder succes de Nederlanden in beweging te krijgen (in zijn richting). - Willem van Oranje probeert van dit alles te profiteren ten eigen bate door de koe uit te melken.
3 Wat kun je uit de afbeelding afleiden over de standplaatsgebondenheid van de maker? - De maker was anti-Oranje, anti-Anjou, pro-Elisabeth. - Vermoedelijk was hij geen radicale calvinist of radicale katholiek, want dan had hij ook de godsdienst in zijn afbeelding betrokken. - Mogelijk een Engelsman (tekst in het Engels) die de rol van Elisabeth als het meest positief uitbeeldt. - Misschien een gematigde calvinist uit Vlaanderen (zie gedicht) die meer hulp verwachtte van het protestantse Engeland dan van het katholieke Frankrijk of van Willem van Oranje die pro-Frans was.
4 Wanneer is de afbeelding gemaakt, denk je? En waarom denk je dat? De afbeelding is waarschijnlijk gemaakt tussen 1581 en 1585: - Na het Plakkaat van Verlatinghe (1581) zochten de opstandige gewesten naar een andere vorst (blz. 25). Twee kandidaten (Elisabeth en Anjou) staan afgebeeld. - Anjou werd in 1581 op aandringen van Willem van Oranje door de meeste leden van de Unie van Utrecht als vorst erkend. Maar Anjou wilde meer macht, wat op verzet stuitte in met name Vlaanderen en Brabant. Daarna vertrok hij in 1583 (blz. 25 en 80). Vandaar de ‘stank’ (‘shyt’ in de tekst) die Anjou ontvangt. - De Engelse graaf van Leicester kwam in 1585 op verzoek van de opstandige gewesten te hulp (blz. 25). Die is (nog) niet afgebeeld, maar de vertegenwoordigers van de opstandelingen kijken richting Elisabeth, die de Nederlanden hooi en water aanbiedt.
Een vertaling van de tekst (te vinden op www.rijksmuseum.nl): 'Kort geleden zag ik een koe, die Vlaanderen voorstelde; op haar rug zat koning Filips, een misnoegd man. De koningin van Engeland voerde hooi - waarvan de koe at - alsof zij de grootste redder van de koe in haar ongeluk en nood wilde zijn. De prins van Oranje melkte de koe en maakte van zijn portemonnee een emmer. De koe scheet in de heer z'n hand, terwijl hij aan haar staart trok.'
W16 EEN SPAANS, EEN NEDERLANDS EN EEN ENGELS SCHOOLBOEK OVER DE ARMADA
1 Welke tekst is uit welk land afkomstig? Maak alleen een keuze, licht je antwoord nog niet toe. A uit Nederland, B uit Spanje, C uit Engeland
2 De verhalen over de Armada verschillen in lengte. Heeft dat verschil te maken met het land waarin het schoolboek verscheen? Licht je antwoord toe. Ja. Voor Engeland was de mislukking van de Armada van het grootste belang en het was een grote Engelse overwinning. Het Engelse verhaal is dan ook het langst. Voor Nederland was de Armada niet direct van belang, omdat de aanval tegen Engeland was gericht. Het Nederlandse verhaal is dan ook het kortst. Voor Spanje was de tocht van de Armada belangrijk, maar het werd een mislukking.
3 Waarnaar gaat in elk verhaal vooral de aandacht uit? Formuleer je antwoord in een of twee zinnen. - Schoolboek A: in het Nederlandse verhaal gaat de aandacht vooral uit naar het (indirecte) belang van de Armada voor Nederland. - Schoolboek B: in het Spaanse verhaal gaat de aandacht vooral uit naar de Armada zelf, niet naar de Engelsen. - Schoolboek C: in het Engelse verhaal, gaat de aandacht vooral uit naar de prestaties van de Engelsen.
4 Waaraan schrijven de auteurs van elk boek het mislukken van de Armada toe? Formuleer je antwoord in een of twee zinnen. - Schoolboek A: in het Nederlandse boek wordt geen oorzaak van het mislukken van de Armada vermeld. - Schoolboek B: in het Spaanse boek zijn het de onervaren leiding van Medina Sidonia, de weersomstandigheden (veel stormen) en de betere Engelse schepen en kanonnen. - Schoolboek C: in het Engelse boek spelen de prestaties van de Engelse vloot de hoofdrol: de manier van aanvallen. En Gods hulp wordt genoemd.
5 Hebben de verschillen die je bij de vragen 3 en 4 hebt geconstateerd misschien te maken met het land waarin het schoolboek verscheen? Licht je antwoord toe. Ja: - voor de Nederlanders zijn gunstige gevolgen van de mislukking van de Armada voor het vervolg van de oorlog tegen Spanje belangrijker dan de oorzaken van de mislukking van de Armada; - het is voor de Spanjaarden eervoller te verliezen van de natuur dan van een ander volk; en het is gunstiger om één persoon (Sidonia) de schuld te geven van de nederlaag dan veel Spanjaarden; - het is voor de Engelsen eervoller voornamelijk zelf de Spanjaarden te hebben verslagen.
6 In geen van de drie schoolboeken wordt geschreven over het Nederlandse aandeel in het mislukken. In hoeverre heb je daarvoor begrip? Gebruik voor je antwoord de toelichting bij de afbeelding hieronder. Mogelijk antwoord: - Begrip aan de ene kant: Het doel van de Armada was om Engeland aan te vallen (blz. 28). Het was dus grotendeels een strijd tussen de Spaanse en de Engelse vloot. De strijd ging dus tussen Spanje en Engeland. En in schoolboeken is alleen plaats voor "de grote lijn", vindt niet iedereen, maar vinden wel de mensen die het in Nederland voor het zeggen hebben] - Geen begrip aan de andere kant: Het Nederlandse aandeel in het mislukken van de Armada was aanzienlijk: (a) mede door de deelname van ‘een aantal Hollandse en Zeeuwse oorlogsschepen’ leed de Armada ‘grote verliezen’. (b) en door de blokkade van de Vlaamse kust door de Hollands-Zeeuwse vloot lukte het Parma niet zijn troepen naar Engeland over te zetten.
7 Geef ter afsluiting van deze opdracht zelf een overzicht van de factoren die hebben bijgedragen aan het mislukken van de Armada. - De Spaanse bevelhebber, Medina Sidonia, was onervaren. - De Engelse schepen waren sneller en hadden betere kanonnen. - De stormen brachten veel schade toe aan de Armada. - De betere gevechtstactiek van de Engelse vloot. - De blokkade van de Vlaamse kust door de Hollands-Zeeuwse vloot.
W17 TER ERE VAN HET ‘PLAKKAAT VAN VERLATINGHE’ EN DE ‘DEDUCTIE VAN VRANCKEN’ EEN NIEUWE NATIONALE FEESTDAG?
1 Vergelijk ter voorbereiding van een discussie hierover de twee Nederlandse documenten met: a de ‘Magna Charta’ (Engeland), b de ‘Declaration of Independance’ (Verenigde Staten), c de ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’ (Frankrijk). Gebruik voor informatie over deze buitenlandse documenten je schoolboek of het internet. Noteer overeenkomsten en verschillen tussen aan de ene kant de Nederlandse documenten en aan de andere kant de drie buitenlandse documenten. Mogelijk te noemen overeenkomsten: - de vijf documenten zijn ontstaan vanuit de strijd van (een deel van) een volk tegen een in hun ogen te grote macht van een vorst: Jan zonder Land, George III, Lodewijk XVI en Filips II; - de vijf documenten vormden reeds in de tijd waarin ze geschreven werden een belangrijke stap op weg naar een rechtvaardiger / democratischer bestuur in het betreffende land; - de vijf documenten leggen vast dat onderdanen rechten en vrijheden hebben ten opzichte van de overheid.
Mogelijk te noemen verschillen: - in de Nederlandse documenten ging het om het recht de vorst af te zetten; bij de buitenlandse documenten ging het om veel meer rechten van burgers en/of mensen in het algemeen; - de buitenlandse documenten gingen deel uitmaken van of werden gebruikt voor de grondwet van de betreffende landen; dat is niet gebeurd met de Nederlandse documenten; de eerste grondwet in ons land (1798) kwam juist tot stand onder invloed van de Amerikaanse en Franse documenten; - de buitenlandse documenten zijn later (deels) gebruikt door andere volken en hebben daarmee een veel grotere invloed gehad dan de Nederlandse.
Bronnen: - Sprekend verleden, tweede fase, handboek vwo, blz. 60, 67, 78, 83, 175, 198 - Wikipedia (zoeken op trefwoorden: Magna Charta, Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, Plakkaat van Verlatinghe en François Vranck)
2 Discussieer daarna over één of meer van de volgende stellingen: Stelling 1 De ondeugdelijkheid van de door de Nederlandse overheid verplicht gestelde canon wordt mede aangetoond door het ontbreken van deze Nederlandse documenten als venster, terwijl in die canon wel vensters voorkomen als ‘Buitenhuizen’ en het planetarium van ‘Eise Eisinga’. Stelling 2 In deze tijd van groeiende pluriformiteit van de Nederlandse samenleving past het niet meer nationaal vrij te geven op christelijke feestdagen; in plaats daarvan kunnen met het oog op de samenhang van de Nederlandse bevolking beter nieuwe nationale feestdagen worden ingevoerd met een zowel nationaal als universeel karakter, zoals een Nederlandse Onafhankelijkheidsdag in samenhang met het Plakkaat van Verlatinghe en/of de Deductie van Vrancken. Door de leerlingen
Kennis toepassen en inzicht tonen
W18 FEITEN ROND HET ONTSTAAN VAN DE REPUBLIEK IN VERBAND BRENGEN MET GROTE LIJNEN VAN DE GESCHIEDENIS VAN WEST-EUROPA
1 De Bloedbruiloft in Frankrijk had niet alleen negatieve gevolgen voor de protestanten in Frankrijk, maar ook voor die in de Nederlanden. Noem een negatief gevolg voor de protestanten in de Nederlanden. Een broer van Willem van Oranje, Lodewijk van Nassau, deed in 1572 vanuit Frankrijk een inval in de Nederlanden om de Spaanse troepen te verdrijven. Lodewijk had gerekend op steun van de Franse hugenoten, maar door de ‘Bloedbruiloft’ kwam van die steun niets terecht, waardoor zijn inval mislukte.
2 Toen in 1587 berichten over een op handen zijnde tocht van de Armada de Republiek bereikten, maakte men zich in de Republiek grote zorgen. Achteraf bleken die zorgen niet nodig te zijn geweest. Waarom niet? De Armada bleek niet te zijn gericht tegen de Republiek, maar tegen Engeland.
3 In de stofomschrijving staat: ‘Tijdens de Opstand begon voor de noordelijke Nederlanden een periode van economische groei.’ Leg uit op welke manier de Noordelijke Nederlanden bij die economische groei profiteerden van: a de oorlog met Spanje; Als gevolg van de val van Antwerpen en de daaropvolgende afsluiting van de Schelde groeide de positie van Amsterdam als centrum van de Europese handel en van een aantal bedrijfstakken (met name de textielnijverheid). b de situatie in de internationale handel; Gunstig voor de Republiek was dat de concurrentie in de internationale handel in deze tijd beperkt bleef: - Engeland richtte zich meer op buiten dan binnen Europa - Frankrijk deed in deze tijd nog weinig aan internationale handel.
c de binnenlandse situatie in Engeland en Frankrijk. - In Engeland hielden degenen die over kapitaal beschikten (grootgrondbezitters) zich niet bezig met handel en/of nijverheid. - Van Frankrijk kwam nog geen concurrentie vanwege binnenlandse problemen (burgeroorlogen) en omdat degenen die over kapitaal beschikten (de adel) zich richtten op traditionele landouw.
W19 GODSDIENST EN POLITIEK: WAT WAS BELANGRIJKER BIJ HET ONTSTAAN VAN DE OPSTAND?
Ga uit van de volgende zin: ‘Bij het ontstaan van de opstand tegen Spanje waren politieke kwesties belangrijker dan godsdienstige kwesties.’ In welke mate vind je dit een goede samenvatting van de periode 1565-1573? a Geef eerst een opsomming van de belangrijke kwesties die in deze periode een rol speelden. Verdeel ze in politieke en godsdienstige kwesties. Te noemen kwesties bijvoorbeeld: Politieke kwesties: - de zware belastingheffing - de komst van Alva als landvoogd - de instelling van de Raad van Beroerten Godsdienstige kwesties: - de opkomst van het protestantisme in de Nederlanden - de vervolging van protestanten en de instelling van de Inquisitie - het Smeekschrift - de Beeldenstorm b Beantwoord dan de vraag en betrek daarbij de kwesties die je onder a hebt genoemd. Houd er rekening mee dat godsdienstige en politieke kwesties elkaar deels kunnen overlappen. Dit is geen goede samenvatting van de periode 1565-1573. Het was veeleer andersom: De godsdienstige kwesties vormden een keten van oorzaken die tot de Opstand leidden. Ook de komst van Alva als landvoogd en de instelling van de Raad van Beroerten hadden met godsdienst te maken. Alva kwam om de beeldenstormers te straffen en stelde daartoe de Raad van Beroerten in. De zware belastingheffing droeg wel bij tot het verzet tegen het Spaans bestuur, maar was er niet de directe oorzaak van.
W20 KORTE OPDRACHTEN
1 Voor wie was de Deductie van Vrancken (blz. 25) bedoeld, voor binnen- of buitenlands gebruik? Of voor beide? Licht je antwoord toe. Voor beide. De Deductie was in de eerste plaats bedoeld voor buitenlands gebruik. De Deductie moest tegenover het buitenland (vooral de bevriende mogendheden Engeland en Frankrijk), waar overal vorsten regeerden, dienst doen als een juridische rechtvaardiging om geen vorst meer te zoeken. Maar de Deductie diende ook voor binnenlands gebruik. De opdrachtgevers, Johan van Oldenbarnevelt en de Staten van Holland, wilden er tegenover de andere gewesten mee aantonen dat de soevereiniteit in Holland van oudsher bij de Gewestelijke Staten had gelegen en niet bij de Staten-Generaal.
2 De calvinisten maakten zich in 1578 van de macht meester in een aantal Vlaamse steden, waaronder Gent, Brugge en Ieper. Zij verboden er het katholicisme. Wat zal de reactie van Willem van Oranje zijn geweest? Waarom? Oranje zal het afgekeurd hebben: - De actie van de calvinisten was in strijd met de Pacificatie van Gent. Oranje had zich sterk ingespannen om de Pacificatie van Gent tot stand te brengen. - Oranje was voor verdraagzaamheid op godsdienstig gebied. Hij vond dat overheden in geloofskwesties geen dwang mochten toepassen. De actie van de calvinisten was onverdraagzaam.
3 Bij de totstandkoming van de Unie van Utrecht (1579) werd men het, evenals bij de Pacificatie van Gent, niet eens over de godsdienstkwestie. Daarom werd bepaald dat ieder gewest zelf de godsdienstige zaken mocht regelen. Over welk punt vooral zal men het niet eens zijn geworden? Waarom? Over de positie van de katholieken. Zij vormden overal nog de grote meerderheid van de bevolking, maar werden als mogelijke landverraders beschouwd. De vraag was in hoeverre zij vrijheid moesten krijgen om hun godsdienst uit te oefenen.
4 Hendrik IV vaardigde het Edict van Nantes slechts met grote tegenzin uit. Welke bepaling zal hem het moeilijkst zijn gevallen? Waarom? De bepaling dat de hugenoten eigen troepen mochten legeren in een aantal vestingsteden en daardoor een ‘staat in de staat’ bleven vormen. Het was een inbreuk op de centralisatiepolitiek van de koning
5 a In welke fase van de opstand tegen Spanje passen de Franse hertog van Anjou en de Engelse graaf van Leicester? In de fase na het Plakkaat van Verlatinghe (1581), toen de opstandige gewesten een nieuwe vorst zochten ter vervanging van Filips II. En vóór 1588, toen de opstandige gewesten besloten om zonder vorst verder te gaan (de Republiek). b In de stofomschrijving staat dat beiden niet geschikt bleken. Waarvoor bleken ze niet geschikt? En waarom niet? Zij bleken niet geschikt om de strijd tegen Parma te leiden en evenmin om als vorst van de opstandige Nederlanden op te treden. Anjou had geen succes tegen de troepen van Parma en raakte al spoedig in conflict met de Staten-Generaal over zijn bevoegdheden. Ook Leicester had geen succes tegen de troepen van Parma, Bovendien raakte hij in conflict met het gewest Holland, onder andere omdat hij de zijde koos van de radicale calvinisten, terwijl de Hollandse regenten in godsdienstzaken voor verdraagzaamheid waren (blz. 25).
6 Verplaats je in de positie van Willem van Oranje ten opzichte van de calvinisten: a In welk opzicht was Oranje nauw met hen verbonden? De calvinisten speelden een belangrijke rol in de Opstand: in de eerste fase van de strijd tegen Spanje kon Oranje de steun van deze groep goed gebruiken. b In welk opzicht botste het denken van Oranje met het denken van de calvinisten? Voor de calvinisten was de Opstand vooral een strijd voor het ware geloof. Tegenover katholieken waren zij onverdraagzaam. Dit sloot niet aan bij de denkbeelden van Oranje, die katholieken en calvinisten met elkaar wilde verzoenen.
7 In de stofomschrijving staat: ‘Met het bestijgen van de troon door Elizabeth I werden rust en orde hersteld.’ Verplaats je in de katholieken in Engeland in die tijd. In welke opzichten zullen zij commentaar op deze zin hebben gehad? Koningin Maria (‘Bloody Mary’), de voorgangster van koningin Elisabeth, had geprobeerd de maatregelen van Hendrik VIII tegen de katholieke Kerk terug te draaien, maar Elisabeth vestigde in Engeland voorgoed het protestantisme. Voor de katholieken was dit geen ‘herstel van rust en orde’, want zij werden nu achtergesteld, zowel op politiek als op godsdienstig gebied. ‘Herstel’ was voor hen de katholieke Kerk haar oude macht teruggeven.
8 In de stofomschrijving staat: ‘Het ontbreken van een feodale traditie in de zeegewesten bood de boeren mogelijkheden tot schaalvergroting.’ Noem een feodale traditie die in de zeegewesten ontbrak en de boeren in die gebieden daardoor mogelijkheden tot schaalvergroting bood. Een feodale traditie die in de zeegewesten ontbrak was het adellijk grondbezit. Daardoor hadden de boeren in de zeegewesten mogelijkheden tot schaalvergroting. Doordat de grond niet in bezit was van adellijke heren, konden boeren grond van andere boeren opkopen om zo hun bedrijf te vergroten.
9 In de tweede helft van de 16de eeuw werden in de Nederlanden de opvattingen van Johannes Calvijn populair. Drie belangrijke ideeën van Calvijn waren: a de predestinatieleer (zie blz. 49); b iedere gemeente bestuurt zichzelf door een raad van gekozen ouderlingen; c als een vorst handelt ‘tegen Gods gebod’, mogen zijn onderdanen tegen hem in verzet komen. Leg van de laatste twee opvattingen uit waarom ze mogelijk hebben bijgedragen aan de populariteit van het calvinisme in de Nederlanden in de tweede helft van de 16de eeuw. b In de Nederlanden waren veel inwoners gewend aan een aanzienlijke mate van regionale autonomie (platteland, steden en gewesten). Zij liepen daarom warm voor dit idee van Calvijn. c Veel inwoners van de Nederlanden waren van mening dat Filips II hen onderdrukte (en dus handelde tegen Gods gebod dat de vorst voor zijn onderdanen moest zorgen), waardoor ze zich steeds meer tegen Filips gingen verzetten. Die houding werd gesteund door dit idee van Calvijn.
10 De stofomschrijving beschrijft de periode tussen 1568 en 1576 als een ‘opstand’ én als een ‘burgeroorlog’. a Leg met behulp van drie voorbeelden uit dat de eerste omschrijving van toepassing is. Veel gebeurtenissen in deze periode maakten deel uit van een militaire en politieke opstand tegen Filips II: - de invallen in 1568 en 1572 in de Nederlanden (onder leiding van Willem van Oranje en zijn broer Lodewijk); - de machtsovername in een aantal steden door de Watergeuzen; - de benoeming van Willem van Oranje tot stadhouder door de Staten van Holland en Zeeland. b Leg met behulp van twee voorbeelden uit dat de tweede omschrijving van toepassing is. De verdeeldheid onder de bevolking (tussen katholieken en protestanten) nam toe: - katholieke geestelijken werden vermoord door Watergeuzen (Den Briel) en door het leger van Willem van Oranje (Roermond); veel katholieken kwamen mede daardoor niet in opstand; - in de meeste gewesten heerste het katholicisme; in Holland en Zeeland werd het calvinisme de enig toegestane godsdienst.
11 In de stofomschrijving staat: ‘De breuk tussen de vorst en de opstandige gewesten werd een feit vanaf het moment dat Filips II Willem van Oranje vogelvrij verklaarde.’ Toon met drie voorbeelden aan dat er al vóór 1580 sprake was van een breuk tussen Filips II en de opstandige gewesten. Dat er al vóór 1580 sprake was van een breuk blijkt uit: - de strijd tussen het Spaanse leger en opstandige troepen vanaf 1568; - de benoeming in 1572 van Willem van Oranje tot stadhouder door de Staten van Holland en Zeeland (dat recht had de vorst of zijn landvoogd); - door het sluiten van de Unie van Utrecht (1579) gaven de opstandige gewesten aan dat ze hun strijd tegen Filips II voortzetten. Hoofdstuk 3 (blz. 57–61)
W1 DE MACHT IN DE REPUBLIEK
1 Ondersteun de conclusie van Fruin met een argument dat betrekking heeft op: a continuïteit, De verdeeldheid bleef bestaan, want de macht lag grotendeels in de handen van de gewesten. b verandering die als achteruitgang is te beschouwen. Er was geen vorst meer, waardoor er van een centraal gezag weinig overbleef.
2 Bestrijd de conclusie van Fruin met een argument dat betrekking heeft op: a continuïteit, De macht bleef grotendeels in de handen van de burgers (in steden en gewesten). b verandering die als vooruitgang is te beschouwen. Er was geen vorst meer, die door centralisatie alle macht in handen probeerde te krijgen / houden. Daardoor hadden de burgers meer zeggenschap dan in de tijd van de Habsburgse vorsten.
W2 (vwo-leerstof) DE SCHERPE RESOLUTIE (1617)
1 Gebruik de bron met fragmenten uit de Scherpe Resolutie hiernaast om zoveel mogelijk te weten te komen over de Republiek in die tijd. Uit die Resolutie blijkt dat er op een aantal gebieden grote verschillen van mening bestonden: a Welk meningsverschil blijkt uit de Resolutie op godsdienstig gebied? - Over de vraag wie het recht heeft een Nationale Synode toe te staan: alleen de Staten volgens de Resolutie. b Welke twee meningsverschillen blijken uit de Resolutie op politiek gebied? - Over de vraag of de steden zelf troepen mogen werven. - Over wie de hoogste macht over het leger heeft: volgens de Resolutie de Staten en niet iemand anders (de stadhouder). c En welk meningsverschil op juridisch gebied? - Over de vraag bij wie de hoogste juridische macht ligt: bij de Staten volgens de Resolutie.
2 a Wat zal het belangrijkste bezwaar van Maurits zijn geweest tegen de Scherpe Resolutie? Dat de Staten van Holland meer over het leger te zeggen hebben dan hij. b Met welk argument zullen de Staten van Holland zich hiertegen hebben verdedigd? De Staten van Holland betalen het leger: wie betaalt, bepaalt.
3 Noem minstens één belangrijk gegeven over de samenleving in de Republiek dat onbedoeld door de opstellers uit de Scherpe Resolutie valt af te leiden. - Dat de Gereformeerde godsdienst in de Republiek overheerst. - Dat steden werden bestuurd door burgemeesters en vroedschappen. - Dat regenten en edelen de meeste invloed hadden.
4 Welke stad ontbreekt opvallend in het rijtje van steden die de Scherpe Resolutie hebben aangenomen? Waarom? Amsterdam ontbreekt. Deze stad was contra-remonstrants.
W3 HARING DOOR DE SONT
1 a Verklaar de daling in de periode 1574-1579. In die periode begon de Opstand tegen Spanje. Door de gevechten zal de visserij (en de handel) achteruitgegaan zijn. b Verklaar de stijging in de periode 1590-1599. In die periode waren de Spanjaarden uit een groot deel van de Nederlanden verdwenen. De visserij kon zich daardoor herstellen
2 Wat was het belangrijkste product voor de retourreis naar de Nederlanden? Graan (uit het Oostzeegebied)
W4 EEN PAMFLET OVER ‘VRIJE KOOPHANDEL’ EN MIGRANTEN
1 Welk argument gebruikt de auteur in deze bron om te verdedigen waarom de Republiek recht heeft op ‘vrije koophandel’? Het argument van de auteur is: omdat dit land zo klein is, is de binnenlandse landbouw onvoldoende om de bevolking te voeden.
2 Toets dit argument aan de buitenlandse handel van de Republiek: a Geef een voorbeeld waarbij dit argument niet opgaat. De VOC haalde uit Indië geen eerste levensbehoeften zoals bijvoorbeeld graan, maar luxeproducten zoals specerijen. b Ondersteun het argument met een voorbeeld. De ‘moedernegotie’, de import van graan uit het Oostzeegebied.
3 Waarom is het geen toeval dat dit pamflet in 1621 verscheen en niet enige jaren eerder? In 1621 vonden twee gebeurtenissen plaats die van groot belang waren voor de ‘vrije koophandel’ van de Republiek: - de oprichting van de WIC; - de oorlog met Spanje werd hervat (einde Twaalfjarig Bestand).
4 In welk opzicht is de eerste zin van het pamflet in strijd met de organisatie van de handel in de Republiek? VOC en WIC hadden het monopolie gekregen op de handel met Azië / Amerika. Geen vrijheid dus voor Nederlandse kooplieden buiten de VOC-WIC om.
W5 DE STOF VAN HET NEDERLANDSE EXAMENONDERWERP IN SCHOOLBOEKEN IN ANDERE LANDEN
1 In de Europese Unie werken de landen in Europa op bijna alle gebieden nauw samen. Toch zijn er grote verschillen tussen de schoolboeken geschiedenis in Europa. Is dat ondanks of dankzij de nauwe Europese samenwerking? Licht je mening toe. Mogelijke antwoorden: - Dankzij de nauwe Europese samenwerking vrezen velen in veel landen de eigen identiteit te verliezen. Daarom wordt er extra aandacht besteed aan de geschiedenis van het eigen land. - Voor "ondanks" valt het volgende aan te voeren: (a) Op politiek gebied gaat de Europese samenwerking veel minder ver dan op bijvoorbeeld op economisch gebied. Nationale gevoelens overheersen nog steeds aanzienlijk de Europese. De Europese staten zijn in het verleden door onderlinge oorlogen en deels andere / eigen ontwikkelingen op diverse gebieden uit elkaar gegroeid. De schoolboeken geschiedenis weerspiegelen die ontwikkeling. In sommige staten is daarbij meer oog voor het gemeenschappelijke dan in andere. (b) Op het gebied van het geschiedenisonderwijs zou in veel Europese staten nu al een meer evenwichtige benadering kunnen worden ingevoerd van wat de Europeanen gemeenschappelijk hadden en van wat hen verdeeld hield in het verleden. (c) Door een verdergaande - succesvolle - Europese samenwerking zal een Europese visie op de geschiedenis onder de Europeanen sterk kunnen groeien.
2 Er is wel geprobeerd om een voor alle Europese staten geschikt schoolboek te schrijven. Noem met voorbeelden uit dit hoofdstuk enkele problemen waarvoor de schrijvers van zo’n schoolboek komen te staan. - Hoe moeten de Spaanse en de Nederlandse visie over de voortzetting van de oorlog na het Twaalfjarig Bestand met elkaar in overeenstemming worden gebracht? - Hoe moeten de Spaanse en de Nederlandse visie over het gesloten houden van de Schelde bij de Vrede van Munster met elkaar in overeenstemming worden gebracht? - Hoe moeten de Spaanse en de Franse visie over de Dertigjarige Oorlog met elkaar in overeenstemming worden gebracht?
3 Bedenk verklaringen voor het feit dat Vlaamse en Duitse schoolboeken een meer Europese inhoud hebben. - Doordat er tegenstellingen zijn tussen Vlaanderen en Wallonië is er in België weinig sprake van Belgisch nationalisme. - Door het nationalisme van de nazi’s staat in Duitsland het nationalisme in een kwade reuk.
W6 (vwo-leerstof) WEEGSCHAAL VAN HOLLAND (1618)
1 In 1618 bestond een nauwe verwevenheid van godsdienst en politiek. a Geef een voorbeeld van die verwevenheid. - Op de prent komen zowel de godsdienstige leiders in het conflict (Gomarus en Arminius) als de politieke leiders (Maurits en Oldenbarnevelt) voor. - Gomarus legt godsdienstige argumenten op de weegschaal (boeken van de gereformeerde hervormers Calvijn en Beza); Arminius plaatst daar politieke argumenten tegenover: de rechten van de Gewestelijke Staten en steden (het ambtsgewaad van landsadvocaat van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, de kussens van leden van de Gewestelijke Staten, brieven over de rechten van iedere stad). - Gomarus wint een godsdienstig debat dankzij de politieke macht (het leger) van stadhouder Maurits (het zwaard van Maurits geeft op de weegschaal de doorslag). b Ook in onze tijd zijn godsdienst en politiek nauw verweven. Toon dat voor Nederland aan met een voorbeeld. - Er bestaan politieke partijen op godsdienstige grondslag: SGP, CU, CDA. - Op christelijke grondslag gebaseerde politieke partijen laten zich bij wetgeving m.b.t. winkelsluiting op zondag, abortus en euthanasie sterk beïnvloeden door christelijke beginselen. - Godsdiensten worden anders dan andere levensovertuigingen apart beschermd in art. 147 van het Wetboek van Strafrecht. Door dit artikel worden godsdiensten boven andere levensovertuigingen gesteld die niet apart beschermd worden. Voorstellen om dit artikel te schrappen, omdat de artikelen 137c tot en met 137f van het Wetboek van Strafrecht (verbod op belediging en aanzetten tot haat, discriminatie of geweld wegens godsdienst of levensovertuiging) toereikend zijn en bovendien ook andere dan godsdienstige overtuigingen erbij betrekken, kunnen tot nu toe altijd rekenen op verzet van de politieke partijen op godsdienstige grondslag. c Wat is het grootste verschil in verwevenheid tussen toen en nu in Nederland? - Nu zijn alle godsdiensten in beginsel gelijk. - Maar in de praktijk is het stempel van sommige godsdiensten op de Nederlandse samenleving duidelijker dan van andere godsdiensten. De oorzaken daarvan zijn divers: - Aanhangers van sommige godsdiensten zijn zich politiek gaan organiseren (bijvoorbeeld winkelsluiting op zondag, de dag des Heren, via coalitiepolitiek) - Geweld en het dreigen ermee door fundamentalisten onder de moslims leidt tot beperking van de vrijheid van meningsuiting doordat bijvoorbeeld kunstenaars en auteurs niet meer durven te tekenen of schrijven over religieus geladen onderwerpen.
2 Aan welke zijde staat Vondel, de schrijver van het gedicht? Geef argumenten voor je antwoord. Vondel staat aan de zijde van Arminius: - Volgens Vondel is het debat niet met argumenten, maar met de wapens van Maurits beslecht. Dat is afkeurend bedoeld. - Arminius wordt een 'schrandere' man genoemd die 'met gezond verstand vol goede redenen' het debat won. - Vondel vindt de visie van Gomarus onjuist (de god van Gomarus is een afgod).
3 Waarom werd deze prent anoniem gedrukt? Waarschijnlijk waren de makers bang voor vervolging door de contra-remonstranten. De stad Amsterdam, waar Vondel woonde, was contra-remonstrants gezind.
W7 FEIT, MENING OF VOOROORDEEL?
Zet bij ieder van de volgende uitspraken of deze een feit/feitelijk gegeven, een mening of een vooroordeel is. 1 ‘Wilhelm van Nassau, prince van Orangien, (is) hooft beroerder ende bederver van tgeheel Christenrijck.’ (Filips II) Vooroordeel
2 In de Franse gemeente Vuillafans (bij Besançon) is nog steeds een straat genoemd naar de moordenaar van Willem van Oranje. (Wikipedia) Feit
3 Aan Johan van Oldenbarnevelt was gratie verleend, als zijn familie aan stadhouder Maurits een gratieverzoek had aangeboden. (Brief van Maurits) Mening
4 ‘Er zijn aanwijzingen voor een directe betrokkenheid van de Prins van Oranje bij de moord op de gebroeders De Witt.’ (Wikipedia) Mening
W8 WELKE BRON IS HET MEEST WAARDEVOL?
Als je meer te weten wilt komen over dit examenonderwerp: aan welke van de volgende bronnen heb je dan het meest? Zet de boeken in de beargumenteerde volgorde van je voorkeur. - Beliën, H., en Hoogstraten, M. van, De Nederlandse geschiedenis in een notendop, - Amsterdam 2009 (131 bladzijden) - Groenveld, S. e.a., De Tachtigjarige Oorlog. De Opstand in de Nederlanden (ca. 1560-1650), Zutphen 2008 (432 bladzijden) - Prak, M., Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek, Amsterdam 2002 (341 bladzijden) 1 Groenveld. Dit boek behandelt uitvoerig bijna de gehele periode van dit examenonderwerp. 2 Prak. Dit boek behandelt uitvoerig een groot deel, maar minder dan Groenveld, van de periode van dit examenonderwerp. 3 Beliën en Hoogstraten. Dit boek behandelt de gehele Nederlandse geschiedenis, maar zal daardoor veel te beknopt zijn voor dit examenonderwerp.
W9 (OVT) DE HERKOMST VAN DE WELVAART VAN DE GOUDEN EEUW
In deze OVT-uitzending antwoorden drie historici zeer verschillend op de vraag naar de herkomst van de welvaart van de Gouden Eeuw: a Hans van Koningsbrugge meent dat de welvaart te danken was aan de Oostzeehandel. b Femme Gaastra betoogt dat het aan de handel op Azië te danken was, aan de VOC. c Victor Enthoven houdt een pleidooi voor de Atlantische handel op Amerika en Afrika, voor de WIC. Wie onderbouwt zijn opvattingen het best? 1 Geef van elke historicus aan met welke argumenten hij zijn standpunt over de herkomst van de welvaart van de Gouden Eeuw onderbouwt. 2 Geef bij elk standpunt de belangrijkste tegenargumenten van de andere historici.
1 Van Koningsbrugge De argumenten waarmee Hans van Koningsbrugge zijn standpunt onderbouwt: - Bronnen van tijdgenoten (pamfletten, buitenlandse waarnemers) noemen de Oostzeehandel de ‘principaalste bron van welvaart’. - De Oostzeehandel is staatsbelang. De Nederlandse overheid vraagt Nederlandse diplomaten in de Oostzeelanden jaar in jaar uit om nauwkeurig te rapporteren over het aantal waargenomen Nederlandse schepen. 2 De tegenargumenten van de andere historici Gaastra: - Er zijn ook bronnen uit het midden van de 17de eeuw van buitenlandse waarnemers, die aantonen dat het voor hen duidelijk is dat dè grote glanzende kern van die welvaart in die Aziatische handel zat. - In het buitenland, bijvoorbeeld in Frankrijk, wordt rond 1660 geprobeerd de VOC te kopiëren (zelfde naam, zelfde structuren). Dit bewijst dat men de VOC als dè bron van welvaart beschouwde. De VOC is hèt voorbeeld van een stukje wereldhegemonie in de handel. Enthoven: Je moet die bronnen van tijdgenoten kritisch benaderen. Je weet niet met welk oogmerk die bronnen zijn geschreven.
1 Gaastra De argumenten waarmee Femme Gaastra zijn standpunt onderbouwt: - De periode van de opgang van de Gouden Eeuw (1620-1660/1675) is tevens de opgang van de VOC, waarbij de VOC het geld verdiend heeft buiten Europa, in de intra-Aziatische handel. In deze handel werd vreselijk veel verdiend. Dat heeft geweldig veel bijgedragen aan de groei en bloei van de economie in deze periode door werkgelegenheid, door bouw van schepen, door de uitkeringen aan de participanten. 2 De tegenargumenten van de andere historici Van Koningsbrugge: Op de Oostzeehandel lag de winstmarge lager dan bij de VOC-specerijenhandel. Maar het gaat om vele duizenden scheepsbewegingen. Door de relatief korte afstand kon men vaker heen en weer varen. Er werd dus veel verdiend. In de vaart op de Oost gaat het slechts om tientallen schepen.
1 Enthoven De argumenten waarmee Victor Enthoven zijn standpunt onderbouwt: - De welvaart van de Gouden Eeuw was gebaseerd op de Nederlandse dominantie/ heerschappij van de wereldhandel in luxe consumptiegoederen. Op de handel in luxeproducten werd het meest verdiend. In die handel speelde het Atlantisch gebied veruit de belangrijkste rol. - De omvang van de Atlantische handel was veel groter, in geld uitgedrukt, dan bijvoorbeeld die van de VOC. - In kwalitatief opzicht was het Atlantisch gebied veel belangrijker omdat de Nederlandse nijverheid kon exporteren naar dat gebied. In het hele Atlantische gebied werden de Europese nederzettingen bevoorraad vanuit Nederland. De welvaart van nijverheidssteden als Haarlem, Gouda, Leiden en ook Amsterdam is gebaseerd op de handel met het Atlantisch gebied, omdat ze daar hun nijverheidsproducten konden afzetten. - De kaapvaart leverde in specifieke periodes gigantische winsten, bijvoorbeeld in de periode 1623-1636. 2 De tegenargumenten van de andere historici Van Koningsbrugge: - Over de handel met het Atlantisch gebied zijn niet zulke mooie bronnen als over de handel met de Oostzee (o.a. de Sonttoltabellen) en de archieven van de VOC. Veel handel ging buiten de WIC om (werd dus niet vastgelegd). Zonder ondersteunende bronnen bouw je op lucht. - Ook in de Oostzee bedreven de Nederlanders kaapvaart. Gaastra: - Op de handel in specerijen uit de Oost waren de winstmarges het hoogst, hoger dan op andere luxeproducten. - Zowel WIC als VOC maakten kosten door strijd, en hadden inkomsten door kaapvaart. Het verschil tussen WIC en VOC lag hierin dat de opbrengsten van de VOC weer werden geïnvesteerd. De voordelen vloeiden terug naar de Nederlandse economie.
3 Weeg bij elk standpunt de argumenten en tegenargumenten en maak tenslotte zelf een keuze: Welk standpunt is volgens jou het beste onderbouwd? Door de leerlingen NB De luisteraars werden in de gelegenheid gesteld een winnaar in dit debat aan te wijzen. De uitslag: 1. Oostzee (116); 2. VOC (26); 3. WIC (21).
4 Komt je conclusie overeen met wat in het examenkatern (= de stofomschrijving) staat? Of is er verschil? Zo ja welk? Door de leerlingen Informatie (voor de leerling): Colbert: De minister van Financiën van de Franse koning Lodewijk XIV, die het mercantilisme in Frankrijk in de praktijk bracht (zie ook het examenkatern blz. 65, 67, 69, 80).
W10 (OVT) HUGO DE GROOT, WAAROM BEROEMD?
1 a Waarom werd Hugo de Groot volgens de woorden van Henk Nellen in deze uitzending in slot Loevestein gevangen gezet? - Nellen noemt van invloed op de veroordeling twee kwesties die tijdens het Twaalfjarig Bestand speelden: een politieke en een godsdienstige. Daarbij ging het volgens Nellen bij Hugo de Groot om de godsdienstige kwestie. Op godsdienstig gebied stonden remonstranten tegenover contra-remonstranten. De remonstranten benadrukten de menselijke verantwoordelijkheid in het al of niet verwerven van het heil. De contra-remonstranten zeiden dat het van tevoren door God was bepaald (predestinatie). Hugo de Groot was een remonstrant, maar hij vond dat beide stromingen recht hadden te bestaan binnen de nationale Kerk. De contra-remonstranten zagen de remonstranten als ketters. Hugo de Groot werd vooral kwalijk genomen dat hij tolerantie met harde hand wilde afdwingen, en dat hij daaraan bleef vasthouden. - Nellen noemt ook als factor dat Hugo de Groot jaloezie bij velen had opgewekt door zijn internationale bekendheid. b Wordt vraag a in de uitzending duidelijk beantwoord? Licht je mening toe. De vraag wordt naar onze mening niet duidelijk genoeg beantwoord: - In de uitzending komt ook de politieke kwestie ter sprake. Enerzijds waren er de regenten met onder andere Oldenbarnevelt, die de vrede wilden bewaren. Aan de andere kant waren er de mensen die door wilden vechten, onder andere stadhouder Maurits. Hugo de Groot kwam in het vredeskamp terecht, hoewel hij vond dat de Republiek zich vrij moest vechten van Spanje. Hij vond de Spaanse koning een tiran. Was deze politieke kwestie helemaal niet van invloed op de veroordeling van Hugo de Groot, waarom komt die dan ter sprake in de uitzending, was die kwestie wel van invloed, hoe dan? - Over de invloed van de godsdienstige kwestie is Nellen duidelijker in de uitzending, maar als Hugo de Groot de enige was die tolerantie met harde hand wilde afdwingen dan was hij toch geen gevaar? En als er (veel) meer mensen waren die dat wilden, waarom kreeg dan alleen Hugo de Groot levenslang?
2 Aan het eind van deze OVT-uitzending zijn enkele geluidsfragmenten te horen uit toespraken in 1937 bij het standbeeld van Hugo de Groot in Delft. a Wat waarderen de sprekers uit 1937 in Hugo de Groot? - De eerste spreker (naam wordt niet genoemd) noemt als één van de kenmerkende eigenschappen van Hugo de Groot, dat hij met hart en ziel Nederlander was, en tegelijk een wereldburger. - Koos Vorrink (SDAP-leider) prijst hem als strijder voor ‘vrede en gerechtigheid’. - Minister van Buitenlandse Zaken De Graeff was ervan overtuigd dat aan de geest (die in het fragment niet wordt toegelicht) van Hugo de Groot de overwinning zal zijn. b Wat waardeert Van Nellen aan het slot van de uitzending vooral in Hugo de Groot? Hij waardeert dat Hugo de Groot een praktisch rechtssysteem bedacht waarbij de afschuwelijkheden van de oorlog zoveel mogelijk worden afgedamd. Hij voegt eraan toe dat de bijdrage van Hugo de Groot daaraan zeer essentieel is geweest voor het denken in de wereld en dat zijn grootheid volkenrechtelijk internationaal algemeen wordt erkend.
3 Het interview gaat ook over de betekenis van Hugo de Groot. Welke belangrijke gegevens daarover kun je uit dit interview afleiden ter aanvulling op de illustratieve tekst over De Groot op blz. 54? - Hugo de Groot bepleit in Mare Liberum dat het verkeer over zee op geen manier belemmerd mag worden, omdat de grondstoffen op deze wereld oneerlijk verdeeld zijn. Met die grondstoffen kan men voor iedereen een menswaardig bestaan bereiken. - Mare Liberum was oorspronkelijk een onderdeel van het boek Het Recht op Buit, waarin Hugo de Groot stelt dat een land in oorlog vijandige schepen mag plunderen om zo de vijand te verzwakken. - Dat Hugo de Groot een praktisch rechtssysteem bedacht waarbij de afschuwelijkheden van de oorlog zoveel mogelijk worden afgedamd. En dat zijn werk volkenrechtelijk internationaal algemeen wordt erkend.
W11 DE BELEGERING VAN LA ROCHELLE
1 Welke beeldbron doet waarom het meest recht aan het beleg? Beeldbron 1 doet het meeste recht aan het beleg: - In beeldbron 1 wordt Richelieu uitgebeeld als degene die de leiding van de belegering had; in beeldbron 2 heeft Lodewijk XIII de leiding. In werkelijkheid was het Richelieu (blz. 51). - La Rochelle gaf zich pas over nadat Richelieu met een dam de haven had afgesloten (blz. 51). Richelieu staat in beeldbron 1 op die dam te kijken naar de stad/haven. In beeldbron 2 is niets te zien van deze dam.
2 Geef een verklaring voor de verschillende uitbeeldingen van het beleg. De schilder van beeldbron 1 leefde eind 19de eeuw, toen Frankrijk een republiek was. Hij keek niet op tegen een vorstelijk persoon en wilde een sfeervolle, realistische uitbeelding van de belegering geven. De schilder van beeldbron 2 leefde in de 17de eeuw, de tijd van het absolutisme en was een tijdgenoot van Lodewijk; misschien wilde of moest hij Lodewijk verheerlijken.
W12 GEVOLGEN VAN DE VREDE VAN MUNSTER EN VAN DE VREDE VAN WESTFALEN
Hierna zie je de belangrijkste gevolgen van de Vrede van Westfalen en de Vrede van Munster (één van de verdragen die samen de Vrede van Westfalen worden genoemd). Geef per gevolg aan of het direct optrad (D) of op langere termijn (L).
De gevolgen van de Vrede van Westfalen: a Het uitgangspunt cuius regio, eius religio (zie blz. 12) bleef gehandhaafd, waardoor de macht van de katholieke Habsburgers verzwakte. D b De (meer dan 300) staten binnen het Duitse rijk kregen een grotere soevereiniteit: ze konden bijvoorbeeld zelfstandig verdragen sluiten. D c De Republiek en Zwitserland maakten geen deel meer uit van het Duitse rijk. D d Frankrijk kreeg gebiedsuitbreiding in Elzas en Lotharingen en Zweden in het noorden (waaronder Bremen en Pommeren). D e Frankrijk en Zweden hielden toezicht op de uitvoering van de vrede en hadden daarmee het recht om zonodig in te grijpen in het Duitse rijk. L
De gevolgen van de Vrede van Munster: a De Republiek werd erkend als een onafhankelijke staat D b De Republiek erkende de grens met de Zuidelijke Nederlanden als definitief D c De Schelde bleef gesloten. D d Spanje ging zich toeleggen op de verdediging van de zuidgrens van de Zuidelijke Nederlanden (tegen Frankrijk). L e Spanje en Portugal erkenden de bezittingen van de Republiek in Brazilië en in Azië, waardoor de handelspositie van de Republiek versterkte. D (eerste deel); L (tweede deel)
Kennis toepassen en inzicht tonen
W13 FEITEN ROND DE BLOEI VAN DE REPUBLIEK IN VERBAND BRENGEN MET GROTE LIJNEN VAN DE GESCHIEDENIS VAN WEST-EUROPA
1 Veel Hollandse steden waren vóór het sluiten van een wapenstilstand of vrede met Spanje. Amsterdam echter was er tegen. Geef een mogelijke reden voor dat standpunt van Amsterdam. Amsterdam was bevreesd dat bij een wapenstilstand of vrede de blokkade van Antwerpen zou worden opgeheven. Dan zou Antwerpen als handelsstad weer een geduchte concurrent van Amsterdam kunnen worden.
2 Noem twee buitenlandse factoren die van invloed waren op de oprichting van ‘Compagnieën van Verre’. - De Hollanders haalden de specerijen voor die tijd uit Portugal dat de aanvoer van specerijen uit Indië in handen had. Maar tegen het einde van de 16de eeuw liep de Portugese aanvoer van specerijen sterk terug, onder andere door het optreden van Britse kapers in de zuidelijke Atlantische Oceaan. - De Hollandse scheepvaart op Portugal werd getroffen door een embargo, dat Filips II in 1585 instelde na de val van Antwerpen en de sluiting van de Schelde. Door het als gevolg van deze factoren sterk teruglopen van het Hollandse aandeel in de specerijenhandel in Europa ontstond in Holland de behoefte aan een eigen handelsroute naar Indië.
3 Frederik Hendrik overwoog tijdens de Dertigjarige Oorlog een verbond met Frankrijk te sluiten. Daardoor zou de Republiek in die oorlog betrokken raken. In de stofomschrijving staat dat er veel tegenstand tegen die samenwerking was: ‘Men zag ertegen op het machtige Frankrijk tot buurland te krijgen’. a Waarom was Frederik Hendrik voorstander van zo’n verbond? De bedoeling was om samen met Frankrijk de Zuidelijke/Spaanse Nederlanden te veroveren en te verdelen. Frederik Hendrik zou als aanvoerder van het leger zijn positie in de Republiek enorm versterken en zijn aanzien in Europa vergroten. b Vanuit welk gewest/welke gewesten kan die tegenstand afkomstig zijn geweest? En bedenk argumenten voor die tegenstand. Van Holland en Zeeland: - zij waren meer gericht op de (overzeese) handel en gaven liever geen geld uit aan een duur leger (30.000 soldaten; blz. 51); - wanneer de verovering van de Spaanse Nederlanden zou slagen, dan zou Antwerpen zeer waarschijnlijk bij de Republiek gaan horen; met name Amsterdam (als stapelmarkt) en Middelburg zaten niet te wachten op een herleving van een concurrerende stad. c Welk voordeel leverde een neutrale positie in de Dertigjarige Oorlog voor de Republiek op? Als neutraal land kon de Republiek met beide partijen in het conflict handel drijven. De handelspositie van de Republiek kon er dus alleen maar beter van
4 Internationaal gezien had de Republiek in de eerste helft van de 17de eeuw het tij mee. Noem drie factoren die daarop van invloed waren. - In 1618 begon Frankrijk weer een oorlog met Spanje. - Eveneens in 1618 begon de Dertigjarige Oorlog, waardoor Spanje nog meer vijanden kreeg (Denemarken, Zweden). - In 1635 sloten de Republiek en Frankrijk een bondgenootschap.
W14 KORTE OPDRACHTEN
1 De kosten van de oorlog tegen Spanje kwamen voor 58% voor rekening van het gewest Holland. Noem minstens één factor waarmee rekening moet worden gehouden om te kunnen beoordelen of deze verdeling juist of onjuist was. Je zou moeten weten: - hoe de verhouding was tussen de totale inkomsten van Holland en die van de andere gewesten; - hoe de verhouding was tussen het bevolkingsaantal van Holland en dat van de andere gewesten.
2 In de machtsstrijd tussen Maurits en Oldenbarnevelt kon één van beiden zich beroepen op de Deductie van Vrancken. Wie? Waarom? Wie: Oldenbarnevelt. Waarom: In die Deductie werd ‘aangetoond’ dat de soevereiniteit van Holland van oudsher bij de Gewestelijke Staten van Holland lag en niet bij de Staten-Generaal. In de machtsstrijd verdedigde Oldenbarnevelt de belangen van Holland en Maurits die van de andere gewesten en de Staten-Generaal.
3 In de buitenlandse politiek van Filips II speelde het onderwerpen van de opstandige Nederlandse gewesten slechts een ondergeschikte rol. Draag daarvoor met minstens één voorbeeld bewijsmateriaal aan. - De Armada was niet gericht tegen de opstandige Nederlandse gewesten, maar tegen Engeland. - Filips liet de troepen van Parma meer tegen Frankrijk strijden dan tegen de opstandige Nederlandse gewesten.
4 Tijdens de Dertigjarige Oorlog waren Frankrijk en de Republiek bondgenoten. Toen kardinaal Richelieu in 1627 de havenstad La Rochelle wilde veroveren, kwam de vloot van de Republiek hem te hulp. Dat stuitte op veel kritiek in de Republiek. Wat zal de reden van die kritiek zijn geweest? De reden zal zijn geweest dat de protestantse Republiek meehielp bij de onderdrukking van de protestanten (hugenoten) in Frankrijk.
5 De oprichting van de VOC is in strijd met wat Hugo de Goot zeven jaar later stelde in zijn geschrift Mare Liberum (De Vrije Zee). Leg dat uit. De VOC kreeg van de Staten-Generaal een monopolie (alleenrecht) op de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop. Alleen VOC-schepen was die handel toegestaan. Dat lijkt in strijd met de stelling van Hugo de Groot dat alle volkeren de vrijheid moesten hebben om de wereldzeeën te bevaren.
6 Piet Hein kaapte de Spaanse ‘zilvervloot’ in 1628. Stel dat iemand beweert dat het gebeurde in 1618. Geef een argument om aan te tonen dat 1618 onmogelijk het juiste jaartal van de kaping kan zijn. Mogelijke argumenten: - Kaapvaart hoorde tot de officiële oorlogvoering. In de periode 1609-1621 was er een wapenstilstand tussen de Republiek en Spanje: het Twaalfjarig Bestand. - Piet Hein verrichtte de kaping in dienst van de WIC. De oprichting van de WIC viel samen met de beëindiging van het Twaalfjarig Bestand in 1621. Dus kan de kaping niet in 1618 hebben plaatsgevonden.
7 In de stofomschrijving staat dat de Republiek op economisch gebied (rond 1600) ‘kon profiteren van de slagvaardigheid die de kleine schaal waarop men werkte met zich meebracht’. Leg met behulp van een voorbeeld het verband uit tussen ‘de kleine schaal’ en ‘de slagvaardigheid’ in de Republiek. Kooplieden werkten plaatselijk (= kleine schaal) met elkaar samen in bijvoorbeeld ‘voorcompagnieën’. Dankzij die lokale verbanden waren zij goed in staat om snel en in goed overleg (= slagvaardig) beslissingen te nemen: - om later een nieuwe tocht te ondernemen; - om nieuwe routes en/of producten te gaan zoeken. Hoofdstuk 4 (blz. 74-77)
W1 WILLEM III EN DE STATEN VAN HOLLAND
1 Bedenk twee inhoudelijke vragen naar aanleiding van het verslag hiernaast van de reactie van Willem III. Voorbeelden van vragen: - Van welke politieke tegenstelling in de Republiek was dit conflict tussen Van Beuningen en Willem III een uiting? - Hield Willem III zich aan zijn functie van stadhouder of ging hij die te buiten? - Waarom klonk Willem III’s toespeling op het jaar 1672 voor Van Beuningen bijzonder bedreigend? - Van Beuningen zou zijn hoofd verliezen, als alles goed werd onderzocht. Wat bedoelt Willem III daarmee? Wat zou dan boven water kunnen komen? - Waarom stelt Willem III zich zo vijandig / agressief / geërgerd op tegen Amsterdam? - Waarom dreigt Willem III met het jaar 1672? Wat was er toen in Amsterdam gebeurd? - Waarom is Amsterdam tegen het werven van nieuwe troepen? - Waarom is de stadhouder zo voor het oorlog voeren met Frankrijk? Frankrijk viel toch Spaans bezit aan en niet de Republiek?
2 Bedenk twee brontechnische vragen naar aanleiding van deze bron. - Wie stelde dat verslag op? - Was de verslaggever erbij? - Was hij partij (aanhanger van Willem III of van Amsterdam)? Het verslag maakt duidelijk de indruk door een aanhanger van Willem III te zijn geschreven (‘Zijne Hoogheid’). En dat maakt hem in dat geval betrouwbaar als bron voor wat Willem III heeft gezegd. Hij had dan geen reden om de woorden van Willem III te verdraaien.
W2 OPROEP VAN WILLEM II AAN DE ENGELSE VLOOT
1 Bij welke gelegenheid deed Willem II deze oproep? Voor de overtocht (in 1688) naar Engeland om daar koning te worden (1688) (blz. 69)
2 Op welke gebeurtenis in Frankrijk wordt gedoeld? Op de opheffing van het Edict van Nantes door Lodewijk XIV (1685) (blz. 68)
3 Bedenk een verklaring waarom Willem II zo sterk de nadruk legt op het behoud van de protestantse godsdienst in Engeland. Eén van de volgende twee verklaringen: - Willem III wilde de protestantse tegenstanders van de Engelse katholieke koning Jacobus II tevreden stellen. Hij was door hen uitgenodigd om naar Engeland te komen. Jacobus had in 1688 een zoontje, en dus een troonopvolger, gekregen; zijn tegenstanders wilden voorkomen dat ze nog lange tijd een katholieke koning zouden hebben. - Willem III wilde inspelen op de anti-katholieke stemming in Engeland. Die was ontstaan doordat de katholieke koning Jacobus II de wetten tegen de katholieken niet toepaste en katholieken op hoge posten benoemde.
W3 VOLTAIRE OVER DE ‘GLORIOUS REVOLUTION’
1 Voltaire zegt: ‘De natie, vertegenwoordigd door het parlement, legde de grenzen vast van de rechten van de koning en van het volk.’ Waarop doelt Voltaire? Op de Bill of Rights (blz. 69)
2 Waarom werd Willem III in Frankrijk negatief beschreven als ‘de overweldiger van het land van zijn schoonvader’? In Frankrijk zag men Willem III als grote vijand: - Hij leidde, als grote tegenstrever van Lodewijk XIV, vele coalitieoorlogen tegen Frankrijk. - In 1688-1689 had hij zijn schoonvader Jacobus II als koning van Engeland verdreven. Jacobus II was bevriend met Frankrijk.
3 Is de eerste zin van Voltaire een feit of een mening? Geef uitleg bij je antwoord. Een mening: - Als ...... dan ..., gaat niet uit van feiten maar van veronderstellingen. Het kunnen nooit feiten zijn.
4 Stel: je doet onderzoek naar de Glorious Revolution. a Geef twee redenen waarom deze bron betrouwbare informatie voor je onderzoek geeft. - Voltaire leefde een tijd in Engeland (inleiding). Hij zal Engelse bronnen hebben bestudeerd. - Hij zal misschien nog met oude Engelsen hebben gesproken die de Glorious Revolution hadden meegemaakt. b Geef één reden waarom je aan de betrouwbaarheid van de bron twijfelt. Voltaire is als verlichter standplaatsgebonden. Hij was tegen het absolutisme van vorsten en voor de rechten van het parlement en het volk. Dat blijkt ook in het boek. Het beleid van Jacobus II, die naar absolutisme streefde, heeft hij misschien onvoldoende recht gedaan.
W4 DE LENINGEN VAN DE REPUBLIEK
Bestudeer de statistische gegevens hiernaast. Verklaar daling of stijging van de leningen door de Republiek in de perioden: a 1620-1646 b 1647-1671 c 1672-1677 d 1690-1713 - Stijging in de periode 1620-1646 ten opzichte van de periode ervoor: - Na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd de oorlog tegen Spanje weer hervat. Voor leger en vloot waren daarom meer uitgaven nodig. - Daling in de periode 1647-1671 ten opzichte van de periode ervoor: - Na de Vrede van Munster (1648) waren er voor leger en vloot minder uitgaven nodig. - Stijging in de periode 1672-1677 ten opzichte van de periode ervoor: - In het Rampjaar 1672 werd de Republiek tegelijk door Frankrijk en Engeland aangevallen. Er moesten grote leningen worden gedaan voor de uitbreiding van leger en vloot. - Stijging in de periode 1690-1713 ten opzichte van de periode ervoor: - Nadat stadhouder Willem III koning van Engeland was geworden, moest de Republiek veel geld uitgeven aan de coalitieoorlogen die Willem III voerde.
W5 GEBEURTENISSEN PLAATSEN IN DE TIJD
Zet de volgende gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de 17de eeuw in de juiste volgorde van tijd (van vroeger naar later). a Johan van Oldenbarnevelt wordt onthoofd. b Het Twaalfjarig Bestand eindigt. c De Verenigde Oost-Indische Compagnie wordt opgericht. d Hugo de Groot publiceert ‘Mare Liberum’ (‘De Vrije Zee’). e Stadhouder Willem III wordt koning van Engeland. f Johan de Witt wordt vermoord. g Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk begint. h De Vrede van Munster wordt gesloten. c-d-a-b-h-g-f-e
W6 WAAROM IS PERIODISEREN OOK INTERPRETEREN?
1 Waarom is vermoedelijk in de stofomschrijving gekozen voor de volgende jaartallen als markering van vier perioden: 1477, 1555, 1588, 1648 en 1702? In de stofomschrijving wordt wel geperiodiseerd, maar de gekozen indeling wordt niet gemotiveerd. Hieronder volgt een mogelijke motivatie voor de gekozen jaartallen: - In 1477 kwamen Holland en Zeeland en de Zuidelijke Nederlanden onder Habsburgs gezag. Daardoor gingen deze gewesten deel uitmaken van een groter rijk dat een belangrijke rol speelde in de Europese politiek. - In 1555 werd Filips II heer der Nederlanden. Tegen hem zou de Opstand zich gaan richten. - In 1588 riepen de opstandige gewesten van de Unie van Utrecht hun gebied uit tot een zelfstandige republiek. - In 1648 werd de Republiek internationaal erkend (Vrede van Munster). - In 1702 overleed Willem III. Hij had drie coalitie-oorlogen tegen Lodewijk XIV geleid. Na zijn dood verloor de Republiek veel aan internationale betekenis.
2 Leg uit in welk opzicht 1515 als beginpunt van de geschiedenis van de Republiek een geschikter jaartal is dan 1477. - In 1477 kregen de Nederlanden te maken met de Oostenrijkse Habsburgers, maar nog niet met Spanje. De rol van Spanje zou veel belangrijker worden voor de geschiedenis van de Republiek - In 1515 werd Karel V heer der Nederlanden en (een jaar later) koning van Spanje. Daardoor raakten de Nederlanden onder Spaans bestuur. De Republiek ontstond juist door het zich losmaken van het Spaans bestuur.
3 De periodisering in de stofomschrijving is vanuit Nederlands standpunt gekozen. a Welke jaartallen zullen de Spanjaarden gebruiken om de betrekkingen met de Nederlanden te periodiseren? Mogelijk antwoord: - 1516: toen werd Karel V koning van Spanje en gingen de Nederlanden deel uitmaken van het Spaanse rijk. - 1648: Spanje erkent de Republiek en houdt alleen de Zuidelijke Nederlanden over. - 1713: Spanje raakt ook het gezag over de Zuidelijke Nederlanden kwijt (aan Oostenrijk). b Welke jaartallen zullen de Belgen gebruiken voor hun periodisering van de 15de tot begin 18de eeuw? - 1477: De Zuidelijke Nederlanden komen onder Habsburgs gezag. - 1515: Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden komen onder gezag van Karel V. - 1579 en / of 1588: Splitsing van Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (Unies van Atrecht en Utrecht) en / of het uitroepen van de zelfstandigheid in 1588 door de Noordelijke Nederlanden. - 1713: De Zuidelijke Nederlanden krijgen Oostenrijk in plaats van Spanje als overheerser.
W7 DE ENGELSE BURGEROORLOG VERFILMD
Onderaan deze bladzijde zie je een overzicht van verschillen tussen het filmverhaal en het verhaal dat de historische bronnen vertellen. 1 Het verleden wordt in historische speelfilms vaak geweld aan gedaan. Welke redenen kun je daarvoor bedenken? Beantwoord deze vraag met behulp van de onderstaande gegevens. (1) Speelfilmmakers moeten door de aard van de bron (hele verhaal in een paar uur vertellen en dan nog zoveel mogelijk met beelden) genoodzaakt veel over te slaan (punt e) of te comprimeren (punt h). (2) Veel speelfilmmakers gaan er vanuit dat een duidelijk “zwartwit-verhaal” met een held die in alle opzichten deugt en een schurk die in geen opzicht deugt meer publiek trekt. Daartoe maken zij dan de held groter, machtiger, meer alom aanwezig, menselijker dan de historische bronnen toelaten (a, c, d, f). (3) Filmmakers willen vaak een boodschap in hun film aan het publiek meegeven, in dit geval ‘lang leve de democratie’ en ‘weg met het absolutisme’; zo’n boodschap komt beter over in een weinig genuanceerde aanpak. Ter wille van hun boodschap wordt dan de werkelijkheid hier en daar weggepoetst en/of overgeschilderd ter meerdere eer en glorie van de held met de boodschap (punt b).
2 Ga na of je elk van deze redenen in het geval van de film Cromwell te verdedigen vindt. Zo niet, waarom niet? Mogelijke antwoorden: - Voor (1) valt in het algemeen begrip op te brengen. Hooguit is discussie mogelijk over de keuze van wat wordt opgenomen, weggelaten of samengevoegd. - Voor de redenen onder (2) en (3) ligt begrip opbrengen veel minder voor de hand. Diverse punten lijken in het filmverhaal zo weinig van belang dat niet goed is voor te stellen dat het verdraaien van de werkelijkheid nodig was om meer te publiek te trekken. En ter wille van een boodschap de werkelijkheid verdraaien, is een vorm van misbruik van de geschiedenis die meer thuishoort in totalitaire, dictatoriale staten dan in democratieën. Maar al is het laatste zo, ook in democratieën wordt het verleden misbruikt. Daar bestaat echter de mogelijkheid misbruik ter discussie en aan de kaak te stellen.
3 Geef minstens twee verklaringen waarom filmmakers de historische werkelijkheid in veel gevallen geweld aandoen. - Een in hun ogen mooi verhaal heeft voor filmmakers de hoogste prioriteit; en voor velen onder hen lijkt dat zelfs de enige prioriteit. Dat mooie verhaal, het boeien van het publiek, achten zij nodig om voldoende publiek te trekken. - Naast het boeien van het publiek leidt ook het brengen van hun boodschap de filmmakers ertoe tot aanpassing of erger van de vermoedelijke werkelijkheid over te gaan. - Voor sommige filmmakers staat het verleden gelijk aan de fantasie: beiden kunnen door de filmmakers worden benut zoals hem of haar uitkomt. Geen respect voor het verleden, alleen voor het brein van de filmmaker.
4 Wat is het belangrijkste verschil tussen de filmversie van de executie van Karel I en de versie die uit de bronnen naar voren komt? Uit de bronnen komt duidelijk naar voren dat Karel I ook op sympathie onder de bevolking kon rekenen, of in elk geval op twijfel over of weerzin tegen de doodstraf voor Karel. Om het filmbeeld van steun voor Cromwell en afkeer van Karel duidelijk te laten overkomen, hebben de filmmakers veel minder soldaten afgebeeld dan er in werkelijkheid waren. Ook hebben ze de menigte de onthoofding, anders dan bronnen vermelden, laten toejuichen.
W8 BOEKEN OVER ADMIRAAL DE RUYTER
Stel dat je een onderzoek wilt doen naar de betekenis van De Ruyter voor de zeehandel van de Republiek. Je hebt een aantal boeken gevonden die hier in alfabetische volgorde op auteursnaam staan. Je hebt ook enkele gegevens over de schrijvers verzameld. 1 Waarom is het bij het beoordelen van de bruikbaarheid van boeken van belang om ook gegevens over de schrijvers te verzamelen? Titels en jaartallen zeggen onvoldoende om de bruikbaarheid van een boek te kunnen beoordelen. Als je weet wie en wat de schrijver was, kun je: - zijn standplaatsgebondenheid ten opzichte van het onderwerp onderkennen; - zijn deskundigheid met betrekking tot het onderwerp beter inschatten.
2 Een van de boeken is waarschijnlijk deels te beschouwen als primaire bron. Welk en waarom? Het boek van Gerard Brandt is waarschijnlijk deels te beschouwen als primaire bron. Brandt zal inlichtingen hebben gekregen van de zoon van De Ruyter (en misschien ook van andere familieleden) en hij zal nagelaten papieren van De Ruyter hebben kunnen inzien.
3 Welk boek zal voor je onderzoek waarschijnlijk het waardevolst zijn? Waarom? Het boek van Prud'homme van Reine (e) zal waarschijnlijk het waardevolst zijn. Het is geschreven door een historicus en is vrij recent (1996). Wetenschappelijk onderzoek van eerdere datum, bijvoorbeeld het boek van Blok (b), zal erin verwerkt zijn. Het boek van Van der Moer (d) is wel recenter, maar de schrijver is een gepensioneerd vice-admiraal, wiens blik beperkter zal zijn (vooral marinezaken). Ook de titels wijzen op een verschil: (e) zet De Ruyter in een breder perspectief (‘Rechterhand van Nederland’) dan (d), die de militaire functie in de titel voorop zet. Bovendien is (d) een beknopte biografie.
4 Bedenk twee mogelijke vraagstellingen waarvoor boek (a) van Belinfante de beste bron zou zijn. Mogelijke vraagstellingen: - Welk beeld van De Ruyter had men in het midden van de 19de eeuw? - In de 19de eeuw was ook in Nederland sprake van een sterk nationalisme. Is dat in de geschiedschrijving herkenbaar?
Kennis toepassen en inzicht tonen
W9 FEITEN ROND DE REPUBLIEK IN DE PERIODE 1648-1702 IN VERBAND BRENGEN MET GROTE LIJNEN VAN DE GESCHIEDENIS VAN WEST-EUROPA
1 De economie van de Republiek bereikte in de periode 1648-1672 haar hoogtepunt. Zowel in 1648 als in 1672 vond een internationale politieke gebeurtenis plaats met grote gevolgen voor respectievelijk het begin en het einde van die bloeiperiode. Geef aan welke gebeurtenissen dat waren en op welke wijze zij van invloed waren op de economie. - In 1648 maakte de Vrede van Munster (Westfalen) een einde aan de Tachtigjarige en de Dertigjarige Oorlog. Daardoor kon de economie van de Republiek profiteren van de vrede en van de opheffing van het Spaanse handelsembargo. - In het Rampjaar 1672 werd de Republiek aangevallen door Frankrijk en Engeland, waarbij de vorst-bisschoppen van Keulen en Munster zich aansloten. Grote delen van het grondgebied van de Republiek werden bezet. Handel en nijverheid leden hierdoor grote schade.
2 In 1672-1673 bleek de verhouding van de Republiek met Spanje en Frankrijk geheel anders te zijn dan tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Leg dat uit. In de Tachtigjarige Oorlog was Spanje de vijand van de Republiek en was Frankrijk de bondgenoot, die de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden bestreed. In 1672 viel Frankrijk de Republiek binnen. De Fransen werden weer verdreven mede door de hulp van Spanje, dat de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden bestreed (1673).
3 In de stofomschrijving staat dat in de tweede helft van de 17de eeuw de positie van de Republiek in toenemende mate werd bedreigd door de opkomst van Engeland en Frankrijk. Leg voor elk van deze twee landen uit wat die bedreiging inhield. - Lodewijk XIV streefde naar een groter Frankrijk, omgeven door natuurlijke grenzen. Daarom wilde hij de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk voegen (blz. 66). Wanneer hij daarin zou slagen, zou Frankrijk grenzen aan de Republiek en een directe bedreiging zijn voor ons land. - Engeland ging de Republiek op handelsgebied bedreigen (blz. 66). De mercantilistische politiek van Engeland (Acte van Navigatie) leidde tot twee handelsoorlogen tegen de Republiek (1652-1654 en 1665-1667). Mede daardoor ging het aan het einde van de 17de eeuw steeds slechter met de economie van de Republiek.
4 Toeval speelt in de geschiedenis (en ieders leven) een grote rol: als dit of dat niet was gedaan, gezegd of nagelaten, dan zou ... . Geef met minimaal twee voorbeelden aan dat het nooit tot een personele unie zou zijn gekomen tussen Engeland en de Republiek met Willem II en zijn vrouw Maria aan het hoofd, als ... . Het zou nooit tot een personele unie zijn gekomen tussen Engeland en de Republiek: - Als Maria niet protestants was opgevoed [op bevel van haar oom koning Karel II en tegen de zin van haar katholieke vader]. - Als Maria niet had willen meewerken aan de opvolging van haar vader als koning van Engeland. - Als Jacobus II in juni 1688 geen zoon, een katholieke erfgenaam, had gekregen. Hierdoor vreesden veel Engelsen dat ze nog lange tijd een katholieke koning zouden hebben. En daarom nodigde het Engelse parlement Willem III en Maria uit om koning en koningin te worden. - Als Willem III geen toestemming van de Staten-Generaal had gekregen om met zijn leger naar Engeland over te steken. Zo kregen Willem en Maria de kans zich in het conflict te mengen met een leger. - Als Willem en Maria bij hun troonsbestijging niet hadden ingestemd met de macht van het parlement / de Bill of Rights; dus als ze (meer) absolute macht voor zichzelf hadden geëist.
W10 KORTE OPDRACHTEN
1 De Staatsgezinden en Oranjegezinden waren de ‘erfgenamen’ van een eerder conflict in de Republiek. Welk conflict was dat? Het politiek-religieuze conflict tussen Oldenbarnevelt en Maurits en hun aanhangers.
2 Voor zijn coalitie-oorlogen haalde Willem III meer geld uit de schatkist van de Republiek dan uit die van Engeland. Geef een mogelijke verklaring daarvoor. In Engeland was Willem III afhankelijk van medewerking van het parlement. Dat parlement zal hem niet veel geld ter beschikking hebben willen stellen voor oorlog tegen Frankrijk op het vasteland van Europa. In de Republiek werd Lodewijk als een veel groter gevaar gezien (inval in Rampjaar). Waarschijnlijk was er daarom in de Republiek meer bereidheid geld ter beschikking te stellen.
3 Of de ‘Glorious Revolution’ een echte revolutie was, valt te betwijfelen. Toch noemden de Engelsen het zo. a Geef een argument om aan te tonen dat het begrip revolutie in de Glorious Revolution aanvechtbaar is. Jacobus ontvluchtte Engeland zonder strijd. b Geef ook een argument om die omschrijving te verdedigen. Door de Bill of Rights werd Engeland definitief een parlementaire monarchie, waarin het parlement het laatste woord had.
4 Stelling: Engeland profiteerde meer van de coalitie-oorlogen van Willem III dan de Republiek. Geef een argumentatie voor deze stelling. In de tweede helft van de 17de eeuw waren Frankrijk en Engeland de opkomende grote mogendheden, die elkaar beconcurreerden. De Franse koning Lodewijk XIV streefde naar de hegemonie in Europa. Door de coalitie-oorlogen slaagde Lodewijk XIV daarin niet. Daarvan profiteerde concurrent Engeland. De Republiek raakte er door in de schulden.
5 In de stofomschrijving staat: ‘Door het ontbreken van een centraal gezag en de sterk ontwikkelde stedelijke autonomie waren controle, censuur en vervolging in de Republiek ook praktisch gezien nauwelijks mogelijk.’ Ben je het met deze uitspraak eens of oneens? Licht je antwoord toe. Deze zin is in strijd met onder meer de volgende feitelijke gegevens in het examenkatern: - De onderzoeker W.P.C. Knuttel maakte een bibliografie van 140 bladzijden getiteld ‘Verboden boeken in de Republiek der Verenigde Nederlanden’ (blz. 71). - De vrees voor controle, censuur en vervolging was duidelijk aanwezig en gerechtvaardigd. Dat wordt bij voorbeeld aangetoond door Spinoza die plaats van uitgave en naam van de drukker van zijn ‘Tractatus ...’ geheim hield (blz. 73) en door het droevige lot van een van zijn volgelingen Adriaan Koerbagh (blz. 73). En ook door het lot van Balthasar Bekker en zijn vrienden die hem steunden naar aanleiding van zijn boek tegen heksen en ander bijgeloof (blz. 71 en 73). Er was inderdaad geen sterk centraal gezag dat controle, censuur en vervolging in de gehele Republiek kon opleggen. Maar in de praktijk bleken in veel gevallen controle, censuur en vervolging mogelijk, omdat deze door veel regenten in de Republiek werden gesteund of toegelaten.
6 In de stofomschrijving staat dat Willem II zich ontwikkelde tot een gezaghebbend stadhouder met ruime bevoegdheden die hij niet gebruikte om het staatsbestel van de Republiek te hervormen. Aan welke hervormingen zullen de stofomschrijvers, en misschien ook Willem III, hebben gedacht? Aan centralisatie van het bestuur: - inperken van de macht van de gewesten; - versterken van de macht van de Staten-Generaal. En aan het duidelijk vastleggen van de bevoegdheden van de stadhouder.
|